| 34133 |
loeien van de koe in het algemeen |
beuken:
bø̜̄kǝ (L268p Velden),
bākǝn (L268p Velden)
|
[N 3A, 5a; JG 1a, 1b; Gwn V, 8; Wi 57; monogr.]
I-11
|
| 34137 |
loeien van de koe van pijn |
beuken:
bø̜̄kǝ (L268p Velden)
|
[N 3A, 5e]
I-11
|
| 17721 |
loeren |
loeren:
loere (L268p Velden)
|
kijken: loeren [lonke, luime] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 23311 |
lof |
lof:
ət luf (L268p Velden)
|
het lof [RND]
III-3-3
|
| 17688 |
long |
long:
lòng (L268p Velden),
lònge (L268p Velden),
lóng (L268p Velden)
|
long [SGV (1914)] || long, longen [loos, leus] [N 10a (1961)] || longen [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 25289 |
lood, maat van 10 gram |
lood:
lôêd (L268p Velden)
|
de maat die een gewicht aangeeft van 10 gram [lood] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 24846 |
loof |
blader:
blaar (L268p Velden),
Veldens dialekt
blaar (L268p Velden),
loof:
louf (L268p Velden)
|
bladeren [SGV (1914)] || De bladeren van een boom samen (loof, lover). [N 82 (1981)] || loof [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 33250 |
loof van de bieten afplukken |
afbladen:
āfblāi̯ǝ (L268p Velden),
bladen:
blāi̯ǝ (L268p Velden)
|
Als de bieten uit de grond getrokken zijn, worden ze op rijen gelegd en worden de bladeren van de knollen afgesneden of afgeplukt. Bij mechanisch rooien gebeurt het wel dat het loof wordt afgesneden als de bieten nog in de grond staan. [N 12, 48; monogr.]
I-5
|
| 30797 |
looi |
looi:
luǝj (L268p Velden)
|
Looistof. Fijngemalen eikebast of run waarmee men leer bewerkt. [S; L 1a-m]
II-10
|
| 30795 |
looien |
looien:
luǝjǝ (L268p Velden)
|
Het bereiden van leer. Dierehuiden die bepaalde voorbereidingen hebben ondergaan worden met bepaalde samentrekkende stoffen zo behandeld dat zij tot leer worden. [S; L 1a-m; monogr.]
II-10
|