| 26659 |
opzakken |
opzakken:
up˲zakǝ (K353p Tessenderlo)
|
Meel in zakken doen en de gevulde zakken op het juiste gewicht brengen. [N O, 38l]
II-3
|
| 26205 |
opzeilen |
opzeilen:
up˲zãlǝ (K353p Tessenderlo)
|
Zeilen aanbrengen. [N O, 7a]
II-3
|
| 31600 |
opzet |
opzet:
up˲ze̜t (K353p Tessenderlo)
|
De naar boven omgebogen voorzijde van een hoefijzer. De opzet begint aan de zijgedeelten van het hoefijzer, ongeveer op de hoogte van het eerste of tweede nagelgat, en dient volgens de invuller uit P 47 om het lopen te vergemakkelijken. De opzet heeft verder nog als functie: bescherming van de voet (L 290, L 291, L 382) en voorkoming van aanstoten (L 159a, L 289, Q 121b) en struikelen (Q 18). Volgens de respondent uit Q 95 werd een opzet alleen aangebracht aan de ijzers voor de voorste hoeven. Zie ook afb. 222. [N 33, 358]
II-11
|
| 19037 |
opzettelijk |
expres:
eͅspreͅs (K353p Tessenderlo),
ook materiaal znd 1a-m
expres (K353p Tessenderlo)
|
opzettelijk [ZND 01 (1922)], [ZND 23 (1937)]
III-1-4
|
| 28065 |
opzichter |
conducteur:
kōndøktø̜jǝr (K353p Tessenderlo),
opziener:
ōp˲zīnǝr (K353p Tessenderlo)
|
De man onder wiens leiding de werkzaamheden op het bouwwerk worden verricht. In K 359 werd de controle door de 'architect' ('ažet'k') verricht. 'Conducteurs' werden in Q 83 slechts op grote bouwwerken ingezet ter vervanging van de aannemer. [N 30, 3d; N 30, 3e; monogr.]
II-9
|
| 29502 |
oren |
oren:
uwǝrǝn (K353p Tessenderlo)
|
De handvatten die aan weerszijden van de mand bevestigd worden. Meestal worden de oren uit twee wissen gemaakt. Eerst wordt er een boogvormige, stevige beugelwis aan de mand bevestigd, waar vervolgens één of meer soepele wissen omheengedraaid worden. [N 40, 71]
II-12
|
| 23570 |
organist |
orgelist:
orgelist (K353p Tessenderlo)
|
De organist, orgelist. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 22737 |
orgel |
orgel:
e schoeën hoeëgzaol mee en nief ergel (K353p Tessenderlo),
en eulleger (K353p Tessenderlo),
en urregel (K353p Tessenderlo),
øͅləgər (K353p Tessenderlo),
ə schuən huəchsaol me‧ ə nīf ələgər (K353p Tessenderlo)
|
Een schoon oksaal met een nieuw orgel. [ZND 05 (1924)] || Het orgel [het/de orgel, örgel, ölger, orjel?]. [N 96A (1989)] || orgel [GTRP (1980-1995)] || Orgel. [Willems (1885)]
III-3-2, III-3-3
|
| 23571 |
orgel spelen |
op de orgel spelen:
oep den erregel speele (K353p Tessenderlo)
|
(op het) orgel spelen, het orgel bespelen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23389 |
orgelpijpen |
orgelpijpen:
øͅləgərpēpə (K353p Tessenderlo)
|
De pijpen van het orgel [örgelpiepe, orrejelspiefe?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|