| 30264 |
muurblokken |
muurblokjes:
mȳrblǫkskǝs (K353p Tessenderlo)
|
Vierkante houten blokjes die men in de muur metselt, om er later de dagstukken van de deur op vast te maken. Volgens de invuller uit L 210 werden muurblokken in het noorden van Nederlands Limburg niet toegepast. [N 32, 11c; N 55, 19b; monogr.]
II-9
|
| 30231 |
muurdam, penant |
hoofd:
hyjǝt (K353p Tessenderlo),
penant:
pǝdãnt (K353p Tessenderlo),
pilaar:
pǝlē̜jǝr (K353p Tessenderlo),
pilaster:
pǝlastǝr (K353p Tessenderlo)
|
Betrekkelijk smal stuk muur tussen twee vensters of tussen een venster en een andere muur. [N 55, 75; N 32, 12b; N 32, 14; monogr.]
II-9
|
| 23492 |
muurkapelletje |
nis:
nes (K353p Tessenderlo)
|
Een kastje of kleine nis, aangebracht tegen een muur en voorzien van een beeld of relikwie. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 30205 |
muurplaat |
muurplaai:
myrplǫwǝj (K353p Tessenderlo)
|
Zie kaart. De plank of balk waarmee de buitenmuur aan de bovenzijde wordt afgedekt en waarop het dakgebint rust. Muurplaten worden met behulp van ankers aan de muur bevestigd. Zie ook afb. 49b. Zie voor het woorddeel -worm in het woordtype onderworm ook het lemma 'Gording'. [N 4A, 14g; N 54, 156; monogr.; div.]
II-9
|
| 30178 |
muurstijlen |
stijlen:
stē̜lǝ (K353p Tessenderlo)
|
De verticale balken van het vakwerk. Zie ook afb. 46 en 47. [N 4A, 52a; monogr.]
II-9
|
| 22751 |
muziek |
muziek:
müzīk (K353p Tessenderlo)
|
Muziek. [ZND 01 (1922)]
III-3-2
|
| 28952 |
naad |
naad:
nǭt (K353p Tessenderlo)
|
Verbinding die ontstaat bij het aanelkaarnaaien van twee stukken van een stof (Van Dale, pag. 1769). [Wi 5; S 25; Gi 1.IV, 14]
II-7
|
| 26400 |
naaf |
dom:
dom (K353p Tessenderlo),
dum (K353p Tessenderlo)
|
De ronde blok in het midden van het wiel waardoor de as steekt en dat met de velg verbonden is via de spaken. Ter versterking worden er naafbanden rond aangebracht. Zie ook de lemmata middennaafbanden, muilband en achternaafband in II.11. [N 17, 58, 40, 50b; N G, 43; JG 1a; JG 1b; JG 2b; JG 2c; L 20, 20a; L 39, 21; A 4, 20a; monogr.]
I-13
|
| 32196 |
naafbank |
dombank:
dumbaŋk (K353p Tessenderlo)
|
Werkbank waarin het afgezaagde stuk boomstam met behulp van dissel, handbijl en snijmes de ruwe vorm van een naaf krijgt. Het bestaat uit twee evenwijdige balken waaronder vier pootjes zijn aangebracht. Tussen de twee balken waren een vaste en een verstelbare pin aangebracht waartussen het houtblok werd vastgeklemd. Zie ook afb. 180. In Echt (L 381) was de naafbank onbekend. Men gebruikt hier de wielstoel om het houtblok op rond te kappen. Zie ook dat lemma. [N G, 6]
II-12
|
| 31581 |
naafbus |
bus:
bøs (K353p Tessenderlo),
dombus:
dumbøs (K353p Tessenderlo),
karbus:
karbøs (K353p Tessenderlo)
|
De metalen bus in de naaf van het karwiel die om het uiteinde van de karas draait. Het plaatsen van de naafbus in de dom werd in Q 113 bussen (b0sd) genoemd. Dit werk werd doorgaans door de wagen- of radmaker gedaan. Zie ook afb. 214-215. [N G, 43b; N 17, 59; JG 1a; JG 1b; L 39, 22; monogr.]
II-11
|