| 29639 |
smalspoor |
gleis:
glęjs (L270p Tegelen),
kiprails:
kiprels (L270p Tegelen),
rails:
rels (L270p Tegelen),
route:
rut (L270p Tegelen),
tramroute:
tramrut (L270p Tegelen)
|
Spoorbaan waarbij de afstand tussen de twee spoorstaven kleiner is dan de gebruikelijke 1435 mm. Smalspoor van bijvoorbeeld 1000 of 750 mm wordt doorgaans toegepast in moeilijk begaanbaar terrein, of in het geval van de klei-ontginning, omdat het gemakkelijk verplaatst kan worden. Klei met behulp van smalspoor vervoeren noemde men in Q 83: de leem op guiden vervaren (d\ lēm ǫp ˲ged\ v\rvǭr\). [N 98, 54; monogr.]
II-8
|
| 29527 |
smeerleem |
smeer:
smeer (L270p Tegelen)
|
Kleiafval om de ovendeuren dicht te smeren. [N 49, 74d]
II-8
|
| 25590 |
smeermiddel |
margarine:
margarine (L270p Tegelen),
olie:
oli (L270p Tegelen)
|
Het smeermiddel waarmee blik, plaat of vorm worden ingevet. In N 29, 38b werd gevraagd naar het middel waarmee men invette. Deze vraag is dubbelzinnig opgevat. Een aantal informanten geeft een benaming of voor een bepaalde vaste of vloeibare smeerstof op. Een ander aantal noemt het werktuig waarmee de smeerstof uitgesmeerd wordt. Op grond hiervan zijn de opgaven van N 29, 38 verdeeld over twee lemmata. [N 29, 38b]
II-1
|
| 18978 |
smeerpoes |
drekzak:
drek’zak (L270p Tegelen),
vetkanis:
vêt’kanes (L270p Tegelen)
|
smeerpoes || vuilpoes
III-1-4
|
| 24886 |
smele |
smele:
šmēlǝ (L270p Tegelen)
|
Deschampsia Beauv. In het gebied van het WLD komen van deze grassoort met wijduitstaande aren twee soorten vrij algemeen voor: de ruwe smele (Deschampsia cespitosa (L.) Beauv.) en de hierbij afgebeelde bochtige smele (Deschampsia flexuosa (L.) Trin.) De eerste komt in pollen voor op vochtige gronden en wordt 30 tot 150 cm hoog; de tweede op droge gronden en wordt 30 tot 70 cm hoog. De benamingen slaan in sommige plaatsen speciaal op de halmen.
I-5
|
| 31987 |
smetten, afschrijven |
afschrijven:
āfšrīvǝ (L270p Tegelen)
|
Met behulp van de smetlijn een rechte lijn aftekenen op een te zagen boomstam of ander hout. Zie ook het lemma ɛsmettenɛ in Wld II.9, pag. 216.' [N 50, 21a; N 53, 204a; monogr.]
II-12
|
| 23497 |
smokkelkruis |
kruis:
kruuts (L270p Tegelen)
|
Een veldkruis in de buurt van een grensovergang [smokkelkruis?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 29564 |
smoorput |
assegat:
asǝgat (L270p Tegelen)
|
De put waarin de resten van het vuur gegooid werden. [N 49, 65c]
II-8
|
| 20493 |
smullen |
moffelen:
muf’fele (L270p Tegelen),
smikkelen:
sjmikkələ (L270p Tegelen),
vermeubelen:
vermui’bele (L270p Tegelen)
|
duchtig eten || met smaak eten || smullen; Hoe noemt U: Lekker eten, met veel plezier eten (smullen, smikkelen, snollen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19361 |
snauwen, grauwen |
grauwelen:
grawwele (L270p Tegelen),
snauwen:
sjnawwe (L270p Tegelen)
|
grauwen: Je hoort hem de hele dag snauwen en - [DC 35 (1963)] || snauwen: Je hoort hem de hele dag - en grauwen [DC 35 (1963)]
III-1-4
|