| 33459 |
sluitstang boven aan een poortvleugel |
bovenschaaf:
bǭvǝšāf (L270p Tegelen),
schaaf:
šāf (L270p Tegelen),
schoude:
šāi̯ (L270p Tegelen)
|
Een poortvleugel kan aan de bovenzijde gesloten worden door een korte metalen stang omhoog te duwen in een gat in het kozijn. De stang heeft aan de onderzijde vaak een handvat dat met de stang gedraaid kan worden achter een pin of in een gleuf om te voorkomen dat de stang zakt. Meestal wordt slechts één van de beide poortvleugels zo gesloten. [N 4A, 47b]
I-6
|
| 30116 |
sluitsteen |
sluitsteen:
šlūtštęjn (L270p Tegelen),
toogsteen:
tuǝxštęjn (L270p Tegelen)
|
De steen die als laatste in het midden van de segmentboog wordt geplaatst. [N 32, 19d; monogr.]
II-9
|
| 32228 |
sluitstuk van de asstroppen |
brug:
brø̜q (L270p Tegelen)
|
Verbindingsstuk waarmee de asstroppen met behulp van moeren en bouten om het asblok heen gesloten worden. Zie ook afb. 195. [N G, 48c]
II-12
|
| 20491 |
slurpen |
slurpen:
sjlörpe (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
sjlörəpə (L270p Tegelen)
|
je moet niet zo slurpen [DC 35 (1963)] || slurpen; Hoe noemt U: Drank of vloeibaar voedsel hoorbaar opzuigen (slorpen, slurpen, slierpen, lerpen, lerwen, zabberen, slobberen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19364 |
sluwe persoon |
schlauberger (du.):
sjlouw’berger (L270p Tegelen)
|
sluw en geslepen persoon
III-1-4
|
| 17741 |
smaak |
smaak:
schmaak (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
sjmaak (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
smaak: het spek heeft een ranzige smaak [N 10 (1961)] || smaak: mijn smaak is bedorven door die rotte appel [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 19018 |
smachten |
schabbernakken:
mar.: niet in deze betekenis te vinden
sjabbernak’ke (L270p Tegelen),
talen (naar)?:
tiele (nao) (L270p Tegelen)
|
hunkeren, sterk verlangen naar iets || verlangen naar
III-1-4
|
| 20490 |
smakken |
smekken:
smékkə (L270p Tegelen)
|
smakken; Hoe noemt U: Hoorbaar eten, een klappend geluid maken met de lippen of de tong bij het eten (smakken, smekken, smiksen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33973 |
smalle buikriem |
buikriem:
būǝkrēm (L270p Tegelen)
|
Riem of ketting die onder de buik van het paard doorloopt en beide strengen verbindt. Vergelijk ook lemma Brede Buikriem. [JG 1b, 1c, 1d, 2c; N 13, 61]
I-10
|
| 33691 |
smalle weg, pad |
weipad:
węi̯pā.t (L270p Tegelen)
|
Een smalle weg, een pad in het algemeen. In L 40, 25 werd gevraagd naar de dialectwoorden voor ø̄een smalle weg, een padø̄ en in N M, 5 naar die voor ø̄een pad of een veeweg door een weiø̄. Omdat er in de antwoorden op beide vragen veel overlapping zat, zijn deze in √©√©n lemma ondergerbacht. Uiteraard duiden woorden als veeweg, weiweg, koegang e.a. specifiek op een weg door een wei. [N M 5; N P, 2; S 27; L 40, 25; R I, 3; A 25, 6 add.; L 19B, 6; monogr.]
I-8
|