| 18977 |
slons (slodder?) |
dodsel:
dôdzel (L270p Tegelen),
doelie:
doe’lie (L270p Tegelen),
poetje:
cf. WNT XII-2, kol. 3000 s.v. "poet (II)"6. "vuil, goor vrouwspersoon
poet’je (L270p Tegelen),
toos:
tôs (L270p Tegelen)
|
onzindelijke en slordige vrouw || slonzige vrouw || vrouwspersoon die zich niet meer behoorlijk verzorgt en ook aan haar huishouden geen aandacht besteedt
III-1-4
|
| 22340 |
slootjespringen |
beekjespringen:
baekske sjpringe (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
Het over n beek springen, al of niet met polsstok. || Jongensspel: over en weer over n beek springen, al of niet met polsstok.
III-3-2
|
| 18630 |
sluier |
communiesluier:
kemuunie-sjluier (L270p Tegelen)
|
sluier, lange witte ~ met een kroontje van wasbloempjes, hoofdtooi van Communiemeisjes [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 17577 |
sluik haar |
pemelen:
peemels (L270p Tegelen),
piekhaar:
peekhaor (L270p Tegelen),
recht haar:
rechte haor (L270p Tegelen),
rechte pieken:
rechten peke (L270p Tegelen),
smelen:
sjmeele (L270p Tegelen)
|
recht, sluik haar [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17836 |
sluimeren |
doezelen:
doezele (L270p Tegelen),
dutselen:
doetzele (L270p Tegelen),
knikkebollen:
knikkebolle (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
sluimeren:
sjloemere (L270p Tegelen),
sjlōēmere (L270p Tegelen)
|
sluimeren [drooze, knikkebolle] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 32276 |
sluitbanden |
zetbanden:
zęt˱bɛŋ (L270p Tegelen
[(enkelvoud: zęt˱baŋk)]
)
|
De zware, metalen banden die door de kuiper worden gebruikt om het vat te sluiten. De sluitbanden zijn voorlopige banden die uiteindelijk worden vervangen door lichtere, definitieve banden. [N E, 21]
II-12
|
| 24943 |
sluiten (van grond) |
helle grond worden:
hellə gronk (L270p Tegelen)
|
hard worden, gezegd van aarde [vervloeren, sluiten] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25505 |
sluiting aan de ovendeur |
grendel:
grendel (L270p Tegelen),
schuif:
šāf (L270p Tegelen),
šūf (L270p Tegelen),
slot:
šlǭt (L270p Tegelen)
|
Getuige de opgaven komen er verschillende manieren van sluiten voor variërend van heel eenvoudige tot meer technische. Volgens de informant van P 56 wordt er daar simpelweg een stok tegen de ovendeur geplaatst. Volgens de zegspersoon uit L 372 gebeurt dit sluiten met een (kløpǝl) door de boer, terwijl de bakker gebruik maakt van een (sxǫw). [N 29, 2c; N 29, 2a; N 29, 2b]
II-1
|
| 18542 |
sluitklep |
klep:
klep (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
klep van een broek met sluitklep aan de voorkant [bokseslaag, presenteerblad] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33460 |
sluitpin onder aan een poortvleugel |
onderschaaf:
oŋǝršāf (L270p Tegelen),
schaaf:
šāf (L270p Tegelen)
|
Een poortvleugel kan aan de onderzijde gesloten worden door een korte metalen stang of pin te laten zakken in een gat in de drempel. Aan de bovenzijde is meestal een ring of haak waardoor de stang in de hoogste stand kan blijven hangen aan een pin als de poortvleugel geopend wordt. [N 4A, 47c]
I-6
|