| 25353 |
slijpsteen |
slijpsteen:
šlipštęjn (L270p Tegelen),
šlīpštęjn (L270p Tegelen)
|
De ronde steen die om een as in een draaiende beweging wordt gebracht met behulp van een zwengel. Hij dient voor het slijpen van onder meer beitelbladen. Zie ook afb. 71. Vroeger hing de steen voor de helft in een bak met water en werd hij handmatig voortbewogen. Als slijpsteen werden natuurlijke steensoorten gebruikt. Tegenwoordig wordt vooral gewerkt met elektrisch aangedreven slijpmachines waarin kunstmatig gevormde slijpstenen bevestigd kunnen worden. Zie ook het lemma ɛslijpsteenɛ in Wld II.11, pag. 76.' [N 53, 49a; monogr.] || Een steen waarmee men de messen en de krabber slijpt. Op de steen deponeert men van tevoren water, zand of olie. [N 28, 122; N 28, 123; monogr.]
II-1, II-12
|
| 20502 |
slikken |
slikken:
sjlikkə (L270p Tegelen)
|
slikken; Hoe noemt U: Voedsel of drank door de keel uit de mond naar de maag brengen (slikken, slokken, halzen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19282 |
slim |
slim:
sjlum (L270p Tegelen)
|
slim
III-1-4
|
| 31774 |
slingerzaagmachine |
slingerzaag:
šleŋǝrzāx (L270p Tegelen)
|
Cirkelzaag waarvan het blad niet haaks op de as bevestigd is. De slingerzaagmachine wordt gebruikt om groeven uit te zagen. Zie ook afb. 22. [N 53, 18; monogr.]
II-12
|
| 18228 |
slip |
slip:
hempsjlup (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
B.v. De sjluppe van jas of hemp.
sjlup (L270p Tegelen),
tomp:
tômp (L270p Tegelen)
|
hemdslip, pand van een hemd [slup, slipruiter, geer, vaan, lesj, hemsjlup] [N 25 (1964)] || hoek, einde, uiteinde van een of ander voorwerp || slip || slip van het hemd
III-1-3
|
| 18694 |
slip-over |
slip-over:
sjlipeuver (L270p Tegelen),
slipover (L270p Tegelen),
vest:
ves (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
slipover, truivest zonder mouwen [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18270 |
slipjas |
frak:
frak (L270p Tegelen),
geklede jas:
gekleide jas (L270p Tegelen),
vroeger
gekleide jas (L270p Tegelen),
jacquet (<fr.):
thans
jacquet (L270p Tegelen),
slipjas:
schlipjas (L270p Tegelen),
sjlupjas (L270p Tegelen),
meer algemeen - vroeger
sjlupjas (L270p Tegelen),
slippenjas:
sjluppejas (L270p Tegelen)
|
jacquet, pandjesjas || jacquetjas, zwarte jas met lange achterpanden [pitteleer, pieteloer, slipjas, frak, batsesleeger, billentikker, klaovert, steekert] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18299 |
slobkous |
slobkous:
sjloepkouse (L270p Tegelen),
slobkouse (L270p Tegelen),
šloebkouse (L270p Tegelen)
|
voetbekleedsel zonder zool, dat over de schoenen (en enkels) wordt gedragen [slopkous, soepjee] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 20501 |
slok |
slokje:
sjlŭŭkskə (L270p Tegelen)
|
teug; Hoe noemt U: De hoeveelheid drank of vloeistof die men in een keer in de mond neemt en doorslikt (teug, slok, zjats) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 17695 |
slokdarm |
krop:
krop (L270p Tegelen),
slokdarm:
sjlokderm (L270p Tegelen),
sjlookderm (L270p Tegelen),
sjlòkderm (L270p Tegelen),
sjlókderm (L270p Tegelen),
slokderm (L270p Tegelen),
šlokdɛrm (L270p Tegelen)
|
slokdarm [krop, gorgel] [N 10 (1961)] || Spierachtige buis die de keel met de maag verbindt. [N 28, 78]
II-1, III-1-1
|