| 30080 |
slepende muur |
achterover vallen:
axtǝrø̄vǝr valǝ (L270p Tegelen)
|
Muur die naar binnen terugwijkt. Wanneer zo'n muur in Q 19 met behulp van het schietlood werd gecontroleerd, zei men: 'het lood sleept' ('ǝt lwǫat šlęp'). [N 31, 11b; monogr.]
II-9
|
| 26040 |
sleutels |
sluitkijlen:
šlū.tkīlǝ (L270p Tegelen),
sluitspieën/-spijen:
šlū.tšpiǝ (L270p Tegelen)
|
De, meestal vier wiggen waarmee de naaf op de rand van de spaakkuil draaibaar wordt vastgezet. In Montfort (L 382) werden aanvankelijk 3 cm dikke houten wiggen gebruikt om de naaf vast te zetten. Men noemde ze sluiters. Later werden ze vervangen door ijzeren spanbeugels. [N G, 8b]
II-12
|
| 24952 |
slib, rivierbodem |
slib:
sjlip (L270p Tegelen)
|
slib, geheel van de bodembestanddelen die door water worden meegevoerd of zich uit water hebben neergezet, wanneer het nog niet verhard is [slob,blets, blei] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 22469 |
sliepuit |
h, sliepuit:
hèè (waa) sjlīēp ōēt (L270p Tegelen),
sliepuit:
sjlie:p oe:t (L270p Tegelen),
sjliep oet (L270p Tegelen),
(hierbij worden de vingers over elkaar gevreven).
slie‧p oe‧t (L270p Tegelen),
[sliepoet?]
sjliêjpoch! (L270p Tegelen),
sliepuit, sliepuit:
sjlīēp ōēt, sjliep ōēt! (L270p Tegelen),
slie‧p oe‧t, slie‧p oe‧t (L270p Tegelen)
|
uitsliepen: inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 07 (1961)]
III-3-2
|
| 31588 |
slijkvanger |
slijkplaat:
šlī.kplāt (L270p Tegelen),
slijkvanger:
šlīk˱vɛŋǝr (L270p Tegelen)
|
Metalen plaat boven de as, tussen het asblok en de binnenzijde van de naaf, die dient als bescherming tegen van het karwiel afvallende modder. [N 17, 68; NG, 50e]
II-11
|
| 34180 |
slijm bij de nageboorte |
slijm:
šlīm (L270p Tegelen),
šlīǝm (L270p Tegelen)
|
Kleverige slijm bij de nageboorte. [N 3A, 57b]
I-11
|
| 34163 |
slijmblaas |
slijm:
šlīm (L270p Tegelen)
|
Gelei-achtige afscheiding uit de schede vóór het kalven. [N 3A, 37]
I-11
|
| 34178 |
slijmkoek |
leeftocht:
lē̜ftǫx (L270p Tegelen)
|
Koekje dat het kalf bij de geboorte in de bek heeft. [N 3A, 56]
I-11
|
| 32901 |
slijpbus, hoorn |
slijpbus:
šlīp˱bø̜s (L270p Tegelen)
|
Om goed te kunnen scherpen moet de wetsteen vochtig zijn. Daartoe droeg de maaier de wetsteen in een bakje of busje met water aan zijn riem of broekband. Soms werd hiertoe een stevige koehoorn gebruikt, waaraan een haakje was bevestigd. Soms ook plaatste men de bus of de hoorn met de punt in de grond. Waar het gebruik van de houten strekel en van de wetsteen niet (meer) onderscheiden is, wordt de slijpbus of hoorn (met vloeistof) die bij de wetsteen hoort, wel verward met het zandblok of de klomp (met zavel) die bij de strekel hoort. In de Belgische Kempen en in West-Haspengouw komt de slijpbus niet voor. Zie afbeelding 9, nummer 5. Zie ook het volgende lemma voor de inhoud van de slijpbus. [N 18, 81; JG 1a, 1b, 2c; A 23, 16II; monogr.]
I-3
|
| 25352 |
slijpstaal |
staal:
štǭl (L270p Tegelen),
wetstaal:
wętštǭl (L270p Tegelen)
|
Een ± 40 cm lange stalen pin, voorzien van een handvat. Het oppervlak van de pin is soms wel, soms niet geruwd. Het staal wordt gebruikt om een mes of krabber op aan te zetten. Zie afb. 2. [N 28, 122; N 28, 123; monogr.]
II-1
|