| 20648 |
slechte drank |
drinkbier:
drink’beér (L270p Tegelen)
|
slechte kwaliteit bier
III-2-3
|
| 23137 |
slechte kaart(en) |
beekveger:
baekvaegers (L270p Tegelen)
|
Zeer slechte kaarten bij t kaartspel.
III-3-2
|
| 22344 |
slee |
slee:
sjlei (L270p Tegelen)
|
Slede, ar.
III-3-2
|
| 24552 |
sleedoorn |
struik:
sjtroék (L270p Tegelen)
|
sleedoorn struik [DC 56 (1981)]
III-4-3
|
| 32811 |
sleepcultivator, veertandeg |
sleepcultivator:
šlęi̯p[cultivator] (L270p Tegelen)
|
Bedoeld wordt het cultivatortype van afb. 79. Voor (delen van) varianten in de (...)-vorm zij verwezen naar het vorige lemma. In het lemma ''eg'' vindt men ''eg'' en ''eg'' geduid. [JG 1a + 1b; N 11, 78b; N 11A, 150b; N J, 10]
I-2
|
| 34294 |
sleephout |
sleephout:
šlęi̯phǫlt (L270p Tegelen),
tuierstaak:
tȳi̯ǝrštāk (L270p Tegelen)
|
Hout waaraan het tuiertouw of de tuierketting is bevestigd. Door dit slepend stuk hout voorkomt men dat koe of geit verstrikt raken in het touw of de ketting of dat zij bij de tuierpaal komen. [N 3A, 14h; N 14, 73b; JG 1c, 2c; monogr.]
I-11
|
| 24551 |
sleepruim |
duivelskral:
duuvelskralle (L270p Tegelen),
sleen:
sjlië’ne (L270p Tegelen)
|
sleedoorn vrucht [DC 56 (1981)] || sleedoornbessen
III-4-3
|
| 34601 |
slekken |
slekken:
šlɛkǝ (L270p Tegelen)
|
Metalen plaatjes of kapjes waarmee men de uiteinden van de berries tegen slijtage beschermt of waarmee men beschadigde berries verstevigt. [N 17, 29 + 99; N G, 59c; JG 1d]
I-13
|
| 17930 |
slenteren |
drummelen:
dae dreumelde maar get ròngk (L270p Tegelen),
lanterfantelen:
lanterfantele (L270p Tegelen),
slenteren:
schlentere (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
sjlentere (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
slungelen:
sjlungele (L270p Tegelen),
slungelig lopen:
[sic]
sjnungelig loupe (L270p Tegelen)
|
lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)] || lopen: slenterend lopen [schaffele, banzele, gengele, schuupe] [N 10 (1961)] || lopen: zonder doel rondlopen (over straat) [vendele, zwaddere, rakke] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 17899 |
slepen |
met de reep slepen:
męt ˲dǝ ręi̯p šlęi̯pǝ (L270p Tegelen),
slepen:
šlęi̯pǝ (L270p Tegelen)
|
De in dit lemma bijeengebrachte termen betreffen het bewerken van de akker met een sleep, om de grond gelijk te trekken, aardkluiten te verbrijzelen of fijn zaad in de grond te werken, alsmede het slepen van weiland, om mestplakken en molshopen te verbreiden en/of gestrooide mest over de grasmat uit te strijken. Hoe de hieronder voorkomende vormen ''eg'' + ''eg'' en ''eggen'' + ''eggen'' verstaan moeten worden, is aangegeven in de lemmata ''eg'' en ''eggen''. [JG 1a + 1b + 1c; N 11, 81 + 85; N 11A, 173c + 180; S 33; L 6, 66; div.; monogr.]
I-2
|