| 31930 |
slangboor |
schroefboor:
šruf˱bǭr (L270p Tegelen),
slangenboor:
šlaŋǝbō̜r (L270p Tegelen),
šlaŋǝbǭ.r (L270p Tegelen),
spiraalboor:
špirālbǭ.r (L270p Tegelen)
|
Een boorijzer voor hout dat uitloopt op een scherpe centerpunt met daaromheen twee voorsnijders en eventueel twee gutsjes. De schacht is voorzien van een enkele of een dubbele spiraal die niet snijdt, maar dient om het boorsel uit het boorgat te verwijderen. Met dit boorijzer kan men zeer nauwkeurig boren. Zie ook afb. 74a. [N 53, 165; N G, 31b; monogr.]
II-12
|
| 20761 |
slangetje |
gebakje:
Syst. WBD
gebakje (L270p Tegelen)
|
Slag- of s-vormige gebakjes (slengskes, esse?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20647 |
slappe koffie |
larie:
Syst. Veldeke
larie (L270p Tegelen),
Syst. WBD
larie (L270p Tegelen),
magere koffie:
Syst. WBD
magere kóffie (L270p Tegelen),
schotelwater:
sjôt’telwater (L270p Tegelen),
Syst. Veldeke sjótelwater = spoelwater
sjótelwater (L270p Tegelen),
Syst. WBD
sjottelwater (L270p Tegelen),
zauwel:
zaw’wel (L270p Tegelen)
|
Slappe koffie (lierie, loerie, zwadder, zwoelie, poelie, poelespaat, poelieprats, laarie, paalie, pèùjt, merriezèèjk?) [N 16 (1962)] || veel te slappe en smaakloze koffie of thee || zeer slappe en smaakloze thee of koffie
III-2-3
|
| 18411 |
slappe vilten hoed |
loophoed:
Ss. sub luip.
luiphood (L270p Tegelen),
luifhoed:
[sic]
luifhood (L270p Tegelen)
|
#NAME? || hoed, slappe, vilten ~ met deuk [lösjhood, scheurhood] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 32573 |
slecht bemesten |
op stratendrek boeren:
ǫp štrǭtǝdrɛk˱ būrǝ (L270p Tegelen)
|
Het gebruik van weinig of geen mest of van mest van slechte kwaliteit heeft tot gevolg dat de opbrengst gering is en de grond uiteindelijk uitgeput raakt. Een gevolg hiervan is weer dat het bedrijf er op achteruit gaat. Als redenen voor slechte bemesting kunnen genoemd worden: armoede, gierigheid of ondeskundigheid. [N 11, 26; N 11A, 31; JG 1b add.]
I-1
|
| 25216 |
slecht dragend ijs |
een laagje ijs:
ein lèùgske īēs (L270p Tegelen)
|
slecht dragend ijs [papieren zolder] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33751 |
slecht gesneden hengst |
grote boks:
grūǝtǝ bǫks (L270p Tegelen
[(boks- broek= achterste deel van het paard- het in plooien loshangende huidgedeelte onder aan de buik dat de koker bevat)]
),
klophengst:
klǫpheŋst (L270p Tegelen),
piet:
pit (L270p Tegelen)
|
Bij de piet is slechts één teelbal uitgesneden; men kan daarom spreken van een halfgelubde hengst. Bij de klophengst zijn één of beide zaadballen niet uit de buikholte ingedaald; hij mag niet voor de kweek gebruikt worden, omdat dit erfelijk is, en wordt door het verbrijzelen der teelballen met een houten hamer ongeschikt gemaakt tot de voortteling. Wie veel fokmerries bezit, gebruikt wel eens een klophengst om uit te proberen of de merries hengstig zijn en alzo de kostbare dekhengsten te sparen. [JG 1a, 1b; N 8, 20, 61a en 61b; monogr.]
I-9
|
| 33815 |
slecht paard |
(een) schamele:
šē̜mǝlǝ (L270p Tegelen),
schindmeer:
šentmē̜r (L270p Tegelen)
|
Er is weinig betekenisverschil met het vorige lemma. In vraag 62j werd het woord schend(meer) gesuggereerd. Dit is dan ook dominant, terwijl de overige antwoorden meestal ook in een ander lemma ondergebracht kunnen worden. [N 8, 62j]
I-9
|
| 33828 |
slecht van bouw |
hol:
hǭl (L270p Tegelen)
|
De antwoorden van de correspondenten doelen vooral op een hol paard met ingevallen flanken en uitstekende heupen. Vgl. het lemma ''harmonisch van bouw'' (4.3.1). [N 8, 62k, 62l en 78a]
I-9
|
| 25152 |
slecht weer, hondenweer |
geen weer:
gen wéér (L270p Tegelen),
gén wèèr (L270p Tegelen),
hondsweer:
hóngkswaer (L270p Tegelen),
hóngswae:r (L270p Tegelen),
hóngswae‧r (L270p Tegelen),
hóngswèèr (L270p Tegelen),
höngswaer (L270p Tegelen),
koud, nat en schuiverachtig:
kaat, naat en sjuverechtig (L270p Tegelen),
kwaad weer:
kwaod (L270p Tegelen),
miserabel weer:
miserabel waer (L270p Tegelen),
pet weer:
pét (L270p Tegelen),
slecht (weer):
sjlech waer (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
ruw en regenachtig, gezegd van het weer [lobbig, schouw] [N 81 (1980)] || slecht weer [hondewaer] [N 07 (1961)] || slecht, gezegd van het weer [skeut, vut] [N 81 (1980)]
III-4-4
|