| 19661 |
schrobben |
schrobben:
sjroebə (L270p Tegelen),
šroebe (L270p Tegelen),
šrubə (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
schrobben [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 19536 |
schrobbezem |
schrobber:
sjrobber (L270p Tegelen),
sjroeber (L270p Tegelen),
sjruuber (L270p Tegelen),
sjrŭŭber (L270p Tegelen),
šrybər (L270p Tegelen)
|
bezem om de vloeren mee te schrobben (boender, schrobbessem, wasser, luiwagen) [N 20 (zj)] || schrobber
III-2-1
|
| 31753 |
schrobzaag, sleutelgatzaag |
sleutelzaag:
šlø̄tǝlzāx (L270p Tegelen),
sleutelzeeg:
šlø̄.tǝlzē̜x (L270p Tegelen)
|
Handzaag met een smal, spits toelopend blad, die wordt gebruikt om midden in hout en langs gebogen lijnen te zagen. Soms wordt er voor het zagen van sleutelgaten een andere zaag van een vergelijkbaar type gebruikt, kleiner en met een ander handvat. Die wordt ook wel met de term ɛsleutelgatzaagɛ aangeduid. Zie ook afb. 13.' [N 53, 4-5; N G, 23c; monogr.; N 33, 330]
II-12
|
| 19411 |
schroeien |
schroeien:
šrø̄i̯ə (L270p Tegelen)
|
schroeien
III-2-1
|
| 31957 |
schroevendraaier |
schroevendraaier:
šruvǝndrɛjǝr (L270p Tegelen)
|
Werktuig om schroeven vast en los te draaien. Zie ook afb. 90. [N 53, 134; monogr.]
II-12
|
| 31959 |
schroevendraaier voor de booromslag |
boorschroevendraaier:
bǭršruvǝndrɛjǝr (L270p Tegelen)
|
Een schroevendraaier die in de boorhouder van de booromslag kan worden bevestigd. [N 53, 136]
II-12
|
| 20489 |
schrokken |
schransen:
sjrànzə (L270p Tegelen)
|
schrokken; Hoe noemt U: Gulzig eten (schrokken, slokken, vreten, verschrokken, schoffelen, wolven, zwelgen, worgen, moffelen, buffelen, schransen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19565 |
schuier |
klederborstel:
kleierborstel (L270p Tegelen),
kleierbòrsel (L270p Tegelen),
kleijerborstel (L270p Tegelen),
kleͅi̯ərborstəl (L270p Tegelen),
kleͅi̯ərbøͅrstəl (L270p Tegelen)
|
borstel; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || stofborstel om stof uit kleren, stoelbekleding, gordijnen, enz. te verwijderen [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 29692 |
schuif |
schuif:
šūf (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
Metalen schuif in de achterbinnenkant van elke kamer van een vlamoven waarmee de aftrekopening tussen de kamer en het gemeenschappelijke rookkanaal gesloten kan worden. [monogr.] || Schuif waarmee de hoeveelheid klei, die uit de voormenger stroomde, geregeld kon worden. [N 98, 91; monogr.]
II-8
|
| 31416 |
schuifdrilboor |
drilboor:
drelbǭr (L270p Tegelen)
|
Handboor voor het boren van kleine gaatjes in hout of triplex. De schuifdrilboor wordt in beweging gezet door het op en neer bewegen van een klos met inwendige spiraalrug over een daarin passende boorspil met spiraalgroef. Het werktuig wordt op het werkstuk gedrukt door met de hand of de borst te duwen op de houten knop die zich aan de bovenzijde van het werktuig bevindt. Zie ook afb. 83. [N 53, 170a]
II-12
|