| 24492 |
schors (alg.) |
looi:
eiken-
loëj (L270p Tegelen)
|
schors [N 18 (1962)]
III-4-3
|
| 29427 |
schort |
balezak:
bā.lǝzak (L270p Tegelen),
scholk:
šǫlǝk (L270p Tegelen)
|
Schort, voorschoot van leer of zeildoek. [monogr.] || Zak die in de oude handpannenfabrieken zowel door mannen als vrouwen als voorschoot werd gebruikt. [monogr.]
II-8
|
| 19506 |
schotel |
schotel:
šotəl (L270p Tegelen),
šǫtǝl (L270p Tegelen
[(meervoud: šǫtǝls en šǫtǝlǝ)]
),
(een zeer korte oo)
sjootel (L270p Tegelen),
(grote schaal)
sjöttel (L270p Tegelen),
Oorspronkelijk gebruiksvoorwerp in de huishouding van bruin geglazuurd aardewerk, gewoonlijk met kleurige motiefjes versierd. Ondiepe schaal met schuin oplopende rand, zodanig van vorm, dat de bodemoppervlakte pl.m. de helft bedroeg van de bovenrand. Thans als gebruiksvoorwerp volkomen in onbruik geraakt; ze worden nog wel vervaardigd, maar dan uitsluitend als sierkeramiek in de vorm van wandborden. De naam \"schotel\"leeft echter nog voort in de volgende gevallen: a. Sjôttels wasse = de afwas. b. Kaaj sjôttel = koude schotel c. Sjuttelke = door de echte Tegelenaren nog steeds gebruikt voor het bordje onder de thee- of koffiekop. Evenzo wordt het bordje onder bloempotten steeds met \"Sjuttelke\"aangeduid.
sjôttel (L270p Tegelen),
schotel waar men vlees e.d. mee opdient.
sjòtel (L270p Tegelen),
teil:
teil (L270p Tegelen),
Was de naam voor apart grote aarden schotels, waarin bv. bij huisslachtingen de balkenbrei werd gedaan.
teil (L270p Tegelen)
|
schotel || Schotel, met name vlees- en aardappelschotel. Plat aardewerk. In L 270 kende men potten met een diameter van ca. 35 cm (kwārts) en ca. 25 cm (halve kwārts). [N 49, 103a; R 3, 75; monogr.] || schotel; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || teil, in de betekenis van aarden pan of diepe schotel; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
II-8, III-2-1
|
| 19508 |
schoteltje |
schoteltje:
sjutelke (L270p Tegelen),
sjöttelke (L270p Tegelen),
šøtəlkə (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
(zeer korte eu), bijna als \"sjuddelke\
sjeutelke (L270p Tegelen),
c. Sjuttelke = door de echte Tegelenaren nog steeds gebruikt voor het bordje onder de thee- of koffiekop. Evenzo wordt het bordje onder bloempotten steeds met \"Sjuttelke\"aangeduid.
sjuttelke (L270p Tegelen)
|
schoteltje [N 49 (1972)] || schoteltje, behorend bij een kop van het ontbijtservies || schoteltje, klein bordje of ~, gebruikt onder een kopje waaruit men drinkt [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 17637 |
schouder |
schouder:
de schouwers optrekke (L270p Tegelen),
de sjouers ophaole (L270p Tegelen),
de sjouwers óptrekke (L270p Tegelen)
|
schouders ophalen [schokschoere] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 18679 |
schoudermanteltje |
pelerine (<fr.):
pellerien (L270p Tegelen),
pelerinetje (<fr.):
pelerien-ke (L270p Tegelen),
pellerien(ke) (L270p Tegelen),
vroeger
pelerien-ke (L270p Tegelen),
schoudermanteltje:
thans
schoudermanteltje (L270p Tegelen)
|
schoudermanteltje [pelderien, pellerien] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 29083 |
schoudernaad |
schoudernaad:
šǫwǝrnǭt (L270p Tegelen)
|
Naad van een kledingstuk die op de schouder valt, van de kraag tot de mouw van een jas, een japon enz. [N 59, 98]
II-7
|
| 29048 |
schoudervulling |
schoudervulling:
šǫwǝrvøleŋ (L270p Tegelen)
|
Opvulsel op de schouders van een kledingstuk, om de schouderlijn te accentueren en figuurfouten te corrigeren en om een mooie valling van de mouwen te verkrijgen. Ze bestaat veelal uit watjes, 2 of 3 voor een normale schouder tot 4 à 5 voor een hoge (Papenhuyzen III, pag. 26). [N 59, 99; N 62, 62]
II-7
|
| 33059 |
schoven binden |
binden:
beŋǝ (L270p Tegelen)
|
Het werk van de binder die achter de zichter aankomt en die om de hoeveelheid halmen die de zichter afgetrokken heeft twee (soms ook één) banden doet en zo de garven, gebonden schoven, maakt. Wanneer het graan met de zeis gemaaid wordt en de aflegger achter de maaier aankomt, worden het "afleggen", het "vormen" en het "binden" vaak in één doorgaande handeling uitgevoerd. Jassen en kassen worden (elders) ook gebruikt voor het opzetten en samenbinden van de korenhokken, zie het lemma ''schoven opzetten in een hok'' (4.6.13). De volgorde van de varianten van het type binden is: a. consonantcluster: -nd-/-ndj-/-]d, -n-, -nj-, -]-; b. vocalisme: -e-, -ę-, -ęi̯-, -ē-, -i-.' [N 15, 15d, 15e2 en 20; JG 1a, 1b; A 23, 16.2; L 1 a-m; L 1u, 15; L 48, 34.2; Lu 1, 16.2, Lu 2, 34.2; monogr.]
I-4
|
| 33124 |
schoven ontbinden |
losmaken:
lǫsmākǝ (L270p Tegelen)
|
Voordat men met het eigenlijke dorsen begint, worden de banden van de schoven losgemaakt. Eerst wordt tenminste de kopband weggenomen van de bovenste laag van het bed. De zegsman van L 294 gaf dit uidrukkelijk op. Maar het komt ook voor dat men de schoven pas ontbindt als men een tijdje gedorst heeft, voordat men de schoven voor de eerste keer keert of opschudt. Dat laatste is steeds in het onderstaande lemma aangegeven. De zegslieden maakten wel melding van dit gebruik zonder het evenwel te benoemen in L 265, 422, 427, 429a, P 107a, 175, Q 14, 77, 78, 99* en 111. [N 14, 23 a en b; monogr.]
I-4
|