| 20351 |
schoonouders |
schoonouders:
sjooənelders (L270p Tegelen),
sjoəneldərs (L270p Tegelen)
|
schoonouders [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 20150 |
schoonvader |
schoonvader:
sjooənvaader (L270p Tegelen),
sjoənvadər (L270p Tegelen)
|
schoonvader [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 20353 |
schoonzoon |
schoonzoon:
sjooənzoon (L270p Tegelen),
sjoənzoon (L270p Tegelen)
|
schoonzoon [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 20263 |
schoonzuster |
schoonzuster:
sjooənzuster (L270p Tegelen),
neen
sjoenzöstər (L270p Tegelen),
zwegerse:
neen
zjwiegərstə (L270p Tegelen)
|
schoonzuster; Bestaan er verschillende woorden voor de zuster van den man of de vrouw, en de vrouw van den broeder? [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 27939 |
schoor |
schoor:
šǭr (L270p Tegelen),
schoorpaal:
šǭrpǭl (L270p Tegelen)
|
Paal of stijl die ter ondersteuning schuin onder een constructie wordt geplaatst. [N 31, 48b; monogr] || Schuine steunbalk tussen muurstijlen en regels. Zie ook afb. 47. [N 4A, 52c; N 31, 45d]
II-9
|
| 29969 |
schoorkruis |
kruisschoor:
krysšǭr (L270p Tegelen)
|
Het Andreaskruis dat ontstaat wanneer twee steigerschoren aan de buitenzijde van de staanders diagonaal over elkaar worden gespijkerd. In Q 121c zei men van deze in kruisvorm geplaatste steigerschoren dat ze 'dobbel geschoord' ('dubǝl jǝšǭrt') waren. [N 32, 2g; monogr.]
II-9
|
| 27691 |
schoorsteen |
kamin:
kamī̄.n (L270p Tegelen),
schouw:
šow (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
šǫw (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
De bij de liggende oven vast tegen de pottenbakkersoven geplaatste schoorsteen. In L 164 kende men een oventype met los van de oven staande schoorsteen met rookkanaal. In L 163 bevond de schoorsteen zich aan de achterzijde van de oven. Bakruimte en schoorsteen waren door een rooster van elkaar gescheiden (Sprenkels-Liebrand, pag. 370). De invuller uit L 270 duidt met het woordtype kamin een apart staande, losse schoorsteen aan. [N 49, 78a; monogr.] || De schoorsteen aan het eind van het gemeenschappelijke rookkanaal van de vlamoven. [monogr.] || Hoge, gemetselde koker met één of meer kanalen, die dient om de rookgassen van een vuurhaard door middel van luchttrek buiten het gebouw af te voeren. Buitendaks wordt de schoorsteen tot boven de nok opgemetseld om geen last te hebben van valwinden die de rook in de kanalen kunnen terugdrijven. De schoorsteen wordt doorgaans afgedekt met een kap. Zie ook het lemma 'Schoorsteenkap'. In dit en de volgende lemmata wordt met de term 'schoorsteen' vooral de kamerschoorsteen bedoeld, een van baksteen opgetrokken rookleiding met mantel voor het inbrengen van de afvoerpijp van een losse kachel of haard. De kamerschoorsteen bestaat uit de stoel, het benedengedeelte waarvoor de kachel of haard wordt geplaatst, met daarboven de boezem waarin de verschillende rookkanalen zijn aangebracht. Het onderste gedeelte van de boezem wordt gewoonlijk met een houten of marmeren schoorsteenmantel bekleed, terwijl de bovenboezem wordt beraapt en √≤f afgepleisterd √≤f behangen. Om ruimte te sparen wordt een kamerschoorsteen soms in een hoek van het vertrek gemetseld. In Q 1 werd een dergelijke constructie een 'hoekschouw' ('hok'̄xō') genoemd. In Q 121 werd de schoorsteen tegelijk met het optrekken van de kelderwanden opgetrokken. Men noemde dit: 'een kamin voorbouwen' ('enǝ kamīn vȳrbǫwǝ'). Om verzekerd te zijn van een goede trek werd de binnenzijde van de schoorsteen ruw met specie bepleisterd. Deze werkzaamheden werden 'uitsmeren' ('ūsšmīrǝ') genoemd. [S 32; Gi 2, I; N 32, 25a; A 28, 22d; L 12, 9; monogr.; Vld.] || Schoorsteen van een ringoven, doorgaans in het midden van het rookkanaal geplaatst. [N 98, 138; monogr.]
II-8, II-9
|
| 30106 |
schoorsteenboezem |
boezem:
buzǝm (L270p Tegelen)
|
Het gedeelte van een schoorsteen vanaf de stoel tot aan de bovenzijde van het vertrek. In de boezem kunnen zich de verschillende rookkanalen bevinden. [N 32, 26a]
II-9
|
| 30113 |
schoorsteengek |
gek:
gɛk (L270p Tegelen),
windvanger:
weŋk˲vɛŋǝr (L270p Tegelen)
|
Beweegbare, met de wind meedraaiende schoorsteenkap die door zijn hoekvorm tevens als windwijzer dienst kan doen. [N 32, 27e; N 32, 27d; monogr.]
II-9
|
| 30112 |
schoorsteenkap |
trekverdeler:
tręk˲vǝrdęjlǝr (L270p Tegelen)
|
Trekregelaar in de vorm van een T- of H-vormige pijp, die op de schoorsteenpot wordt geplaatst. [N 32, 27d]
II-9
|