| 18303 |
schoenen (mv.) |
schoenen (mv.):
šōn (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt men de schoenen? Maakt men verschil tusschen hooge en lage schoenen? [DC 09 (1940)]
III-1-3
|
| 18347 |
schoenlepel |
schoenaantrekker:
sjoonaantrekker (L270p Tegelen),
sjoonaantrêkker (L270p Tegelen),
schoentrekker:
sjóontrêkker (L270p Tegelen)
|
schoenlepel [schoontrekker] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 30812 |
schoenmaker |
schoester:
šustǝr (L270p Tegelen)
|
In dit lemma zijn zowel de benamingen verwerkt voor "de persoon die schoeisel vervaardigt" als voor "de persoon die schoeisel repareert". [N 60, 216a; N 60, 231a; Wi 2; N 60, 75; monogr.]
II-10
|
| 18394 |
schoensmeer |
wiks:
weks (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
wiks (L270p Tegelen)
|
schoensmeer || schoensmeer, -creme
III-1-3, III-2-1
|
| 18185 |
schoenveter |
schoenriem:
sjoonreem (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
sjóonreem (L270p Tegelen)
|
schoenveter [rijgsnoer, (rij)reem, sjoonsreim, riereem, riesjtartel, nistel, rienastel, raajnagel, rijnassel, rijgnestel, rijgenast] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 19919 |
schoffel |
schoffel:
šufǝl (L270p Tegelen),
wortelenschoffeltje:
wortǝlǝšufǝlkǝ (L270p Tegelen)
|
Gereedschap om onkruid af te snijden en om de grond los te maken. Het bestaat uit een soort mes dat met behulp van een lange steel door de grond geschoven wordt. [N 18, 18a en 48; JG 1a, 1b; A 47, 11a; monogr.; add. uit N 15, 6; N 18, 4 en 50; GV, K7]
I-5
|
| 33302 |
schoffelen, wieden met de schoffel |
schoffelen:
šufǝlǝ(n) (L270p Tegelen)
|
Met een schoffel de bovengrond tussen de plant(rijen) van een gewas zodanig bewerken dat de korstige bovenlaag verkruimeld en het onkruid afgestoken wordt. Het woord schoffelen kan niet alleen in absolute zin gebruikt worden, maar laat zich ook verbinden met een object. Dat kan de te bewerken grond zijn (akker, tuin, enz.) maar ook het te verzorgen gewas dat op die grond staat (bijv. de bieten), en ook het onkruid. [N 15, 6; JG 1a, 1b; monogr.; add. uit A 47, 11a]
I-5
|
| 33307 |
schoffelmachine |
planette:
planēt (L270p Tegelen),
schoffelmachine:
šufǝlmǝšin (L270p Tegelen)
|
Eenvoudig duwgereedschap dat eruit ziet als een kruiwagen en bestaat uit een (of meer) schoffelijzer(s) aan een wiel, waaraan twee duwburries zitten en waarmee tussen rijen planten wordt gewied. [N 18, 47; N J, 8a; monogr.; add. uit N 18, 51]
I-5
|
| 33782 |
schoft |
schoft:
šøft (L270p Tegelen)
|
Het benige uitsteeksel dat de hals van de rug scheidt, het hoogste punt van de ruggegraat. Zie afbeelding 2.17. [JG 1a, 1b; N 8, 14, 32.1 en 32.2]
I-9
|
| 33970 |
schoftriem |
halsriem:
halsrēm (L270p Tegelen),
schouderriem:
šou̯ǝrrēm (L270p Tegelen)
|
Leren band van het borsttuig die over de schoft van het paard heen loopt. [N 13, 53]
I-10
|