| 33342 |
schaapherder |
scheper:
šiǝpǝr (L270p Tegelen)
|
[A 48, 18a; L 1, a-m; L 26, 32a; S 13; Wi 2; monogr.]
I-6
|
| 33403 |
schaapsruif |
schaapsben:
šǭpsbęn (L270p Tegelen)
|
Het samenstel van latten, in schuine stand tegen de wand aangebracht, waaruit de schapen het hooi kunnen eten. Zie ook de toelichting bij de lemmata "ruif voor de koeien" (2.2.19) en "paarderuif" (2.3.2). [N 5A, 45b; R 14, 23n; monogr.]
I-6
|
| 34427 |
schaapsschaar |
schaap(s)scheer:
šǭpsšiǝr (L270p Tegelen),
šǭpšīr (L270p Tegelen)
|
Bepaalde schaar waarmee men schapen scheert. [N 18, 119; monogr.]
I-12
|
| 28873 |
schaar |
handscheer:
haŋkšīǝr (L270p Tegelen),
scheer:
šīǝr (L270p Tegelen),
snijscheer:
šnišīǝr (L270p Tegelen)
|
Schaar, gereedschap van kleermaker en naaister. Een goede schaar is gemaakt van staal en ijzer. Het snijvlak van de schaar moet van staal vervaardigd zijn. Het bovenoog, waarin de duim rust, is kleiner en ronder dan het onderoog waarin de vingers rusten (Papenhuyzen III, pag. 9). In dit lemma zijn de vragen ø̄Hoe noemt u de schaar in het algemeen?ø̄ (N 59, 16a), ø̄Hoe noemt u de grote schaar?ø̄ (N 59, 16b), en ø̄Hoe noemt u de kleine schaar?ø̄ (N 59, 16c) samengevoegd. Binnen dit lemma zijn de antwoorden onderverdeeld in drie groepen die beantwoorden aan de driedelige vraagstelling. Zie afb. 8. [N 59, 16a; N 59, 16b; N 59, 16c; N 62, 54; L 45, 14; L A2, 317; Gi 1.IV, 22; MW; S 30; monogr.]
II-7
|
| 25068 |
schaars |
raar:
raar (L270p Tegelen)
|
schaars [DC 16 (1948)]
III-4-4
|
| 22313 |
schaatsen |
schaatselen:
sjaatsele (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
#NAME?
sjaatsele (L270p Tegelen),
schaatsen:
sjaatse (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
sjaatsen (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
schaatsen rijden:
sjaatsen rieën (L270p Tegelen)
|
Schaatsen. || Schaatsenrijden [sjatsen, sjtriksjoon loupe]. [N 06 (1960)]
III-3-2
|
| 25043 |
schaduw, lommer |
schaduw:
sjaduw (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
scheem:
cf. WNT s.v. "scheem - scheme"= schaduw
sjééəm (L270p Tegelen)
|
(in) de schaduw (zitten) [DC 49 (1974)] || schaduw [DC 42B (1967)] || schaduw (donkere vlek achter een persoon) [DC 49 (1974)] || schaduw (lommer) [RND]
III-4-4
|
| 27639 |
schaft |
schaft:
šaft (L270p Tegelen),
schafttijd:
šaftī̄t (L270p Tegelen)
|
Werkpauze van de arbeiders in de steen- en pannenbakkerijen om de maaltijd te gebruiken. [N 98, 10; monogr.]
II-8
|
| 21092 |
schaften |
schaften:
šaftǝ (L270p Tegelen)
|
Werkpauze houden om de maaltijd te gebruiken. In Q 83 had men geen vaste tijd om te schaften. Men zei daar: ze eten op hun uur (z\ ē̜t\n ǫp hø ̞n ū.r). [N 98, 9; monogr.]
II-8
|
| 27683 |
schaftlokaal |
keet:
kiǝt (L270p Tegelen)
|
Houten gebouwtje waar de arbeiders bij de kleiput naderhand de schafttijd konden doorbrengen. [N 98, 11; monogr.]
II-8
|