| 31870 |
schaafmachine |
schaafmachine:
šāfmǝšin (L270p Tegelen)
|
De algemene benaming voor de machine waarmee hout mechanisch wordt geschaafd. Er bestaan verschillende schaafmachines, zoals de vlakbank, de vandiktebank en de viervlakmachine. Zie ook deze lemmata. [N 53, 85a]
II-12
|
| 32294 |
schaafmes voor de binnenrand |
blaaimes:
blājmɛts (L270p Tegelen)
|
Een mes met een verhoudingsgewijs klein, gebogen blad en twee handvatten dat wordt gebruikt voor het vlakmaken van de binnenrand van een vat. Zie ook afb. 220 en het volgende lemma. [N E, 35c; N E, 36; A 32, 4; monogr.]
II-12
|
| 31817 |
schaafspie |
kijl:
kī.l (L270p Tegelen)
|
De houten spie waarmee schaafbeitel en keerbeitel in het houten schaafblok worden vastgeklemd. Zie ook afb. 31e. [N 53, 54h; monogr.]
II-12
|
| 31808 |
schaafstreek |
schavenstreek:
šāvǝštrēk (L270p Tegelen)
|
Een strijkende beweging met de schaaf over het hout. [N 53, 121]
II-12
|
| 31812 |
schaafzool |
zool:
zǭl (L270p Tegelen)
|
De onderzijde van een houtschaaf. Afhankelijk van het soort schaaf en de werkzaamheden die ermee moeten worden uitgevoerd, is de zool vlak, bol, hol of geprofileerd. Zie ook afb. 31b. [N 53, 54a; monogr.]
II-12
|
| 19507 |
schaal |
komp:
waar bv. \"blomesjaal\"of dergelijke gebruikt word, is dit een bastaard.Voor de diepere vormen wordt meestal het woord KOMP (kom) en KUMPKE (kommetje) gebruikt.
kómp (L270p Tegelen),
schaal:
( Hieronder verstaat men meer een schaal waar bv. fruit in zit en die op een kast staat. Ook wel voor opdienen, vlaaisjaol)
sjaol (L270p Tegelen),
Thans algemeen gebruikelijke naam voor alle soorten glazen en porceleinen voorwerpen, waarin de spijzen worden opgediend. Voor de diepere vormen wordt meestal het woord KOMP (kom) en KUMPKE (kommetje) gebruikt.
sjaol (L270p Tegelen)
|
schaal; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 34539 |
schaal van een ei |
schaal:
sxāl (L270p Tegelen)
|
Het kalkachtige omhulsel van een ei. Onder het woordtype schaal verbergen zich twee verschillende woorden, die in het Nederlands zijn samengevallen, doordat de Westgermaanse ā van het eerste woord, dat "komvormig voorwerp" betekende, en de Westgermaanse a in open lettergreep van het tweede woord, dat "omhulsel" betekende, beide een lange ā opleveren. De meeste Limburgse dialecten onderscheiden echter nog steeds deze twee historische klinkers. In de westelijke helft van Belgisch Limburg (gebied I) heeft ''schaal'' "eierschaal" een vocalisme dat Westgermaanse ā voortzet, in de oostelijke helft, in heel Nederlands Limburg evenals in het noordoosten van de provincie Luik (gebied II) een dat Westgermaanse a in open lettergreep voortzet. In dat oostelijke gebied is daarnaast ook schaal met oude ā vaak bekend, maar het betekent er "groot, plat bord", "collecteschaal" of "weegschaal". In enkele noordwestelijke Belgisch Limburgse dialecten heeft algehele (gebied III) of gedeeltelijke (gebied IV) samenval van ā en a in open lettergreep plaatsgevonden, zodat er niet kan worden uitgemaakt op welke van de twee oorspronkelijk verschillende woorden het woordtype schaal er teruggaat. Zie hiervoor in de bibliografie Goossens 1967. Enkele Nederlands Limburgse gegevens bevatten een historische ā. Blijkbaar gaat het hier om verwarring met het woord ''schaal'' voor "schotel".' [N 19, 55a; JG 1b, 1c, 2c; A 39, 9a; A 39, 9b; monogr.]
I-12
|
| 31714 |
schaaldeel |
schaalstuk:
šālštøk (L270p Tegelen)
|
Wanneer een boomstam in de lengte in een aantal delen wordt gezaagd, zijn het onderste en het bovenste deel aan één zijde met schors bedekt. Men noemt die beide delen de schaaldelen. Zie ook afb. 11. [N 50, 51a; L 42, 18; monogr.]
II-12
|
| 23977 |
schaamte |
schaamte:
sjaamte (L270p Tegelen)
|
Schaamte [schamte, schèmt. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 34381 |
schaap |
schaap:
sxǭp (L270p Tegelen),
sǭp (L270p Tegelen)
|
Bedoeld wordt het schaap in het algemeen, niet geslachtelijk onderscheiden. Zie afbeelding 4. [JG 1a, 1b, 2c; L 45, 21; L 38, 40; L 6, 25; S 30; A 14, 21; A 2, 1; G V, m3; Gwn 5, 13 add.; monogr.]
I-12
|