| 24682 |
sap in planten |
koekoekszever:
dat op een beschadigde plek in de bast naar buiten komt
koe’koekszeiver (L270p Tegelen)
|
boomsap
III-4-3
|
| 21028 |
saus |
saus:
sòws (L270p Tegelen)
|
saus [RND]
III-2-3
|
| 19572 |
sauslepel |
sauslepel:
saus-laepel (L270p Tegelen),
sausléépel (L270p Tegelen)
|
lepel, metalen ~; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 21025 |
savooiekool |
hoofd:
hui’jer (mv.) (L270p Tegelen),
savooi:
ševowe (L270p Tegelen),
savooie:
chevouw (L270p Tegelen),
savooiekool:
savoëje koel (L270p Tegelen),
savoëje koël (L270p Tegelen),
savooiemoes:
savoëje moos (L270p Tegelen),
sevoëjemoos (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
[N Q (1966)] [N Q (1966)]savooie kool als gerecht [N Q (1966)] || savooienkool || sluitkool
I-7, III-2-3
|
| 23230 |
scapulier |
scapulier:
ein sjabbelee:r (L270p Tegelen),
en sjabbeleer (L270p Tegelen),
schabbeleer (L270p Tegelen),
sjabbeleer (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
sjabbelier (L270p Tegelen),
sjappelier (L270p Tegelen),
(medalie).
sjapeleer (L270p Tegelen),
Zo wordt het ook genoemd.
sjabbelier (L270p Tegelen)
|
Een scapulier of skapulier: lapjes gewijde stof, door linten of band met elkaar verbonden en (door leken) onder de kleding op borst en rug gedragen [schabbelier, sjabbeleer?]. [N 96B (1989)] || Scapulier (schouderkleed) [skabbeleer]. [N 07 (1961)]
III-3-3
|
| 23749 |
scapuliermedaille |
scapuliermedaille (<fr.):
sjabbeleermedaalie (L270p Tegelen)
|
Een scapuliermedaille, de latere vervanger van het stoffen scapulier. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 31806 |
schaaf |
schaaf:
šāf (L270p Tegelen)
|
Werktuig, bestaande uit een houten blok waarin een beitel in schuine stand zodanig is bevestigd, dat het snijvlak ervan aan de onderzijde enigszins uitsteekt. De schaaf wordt gebruikt om hout vlak te maken of om er een bepaalde vorm aan te geven. [N 53, 53; S 30; monogr.]
II-12
|
| 31809 |
schaafafval |
krollen:
krǫlǝ (L270p Tegelen)
|
Het afval dat bij het schaven ontstaat. Zie ook Limburgs Idioticon, pag. 222 s.v. sch√™fsel, ø̄schavelingen, krollenø̄. [N 53, 124; N 55, 189; L 42, 17; monogr.]
II-12
|
| 32270 |
schaafbank, voegbank |
voegbank:
vø̄x˱baŋk (L270p Tegelen)
|
Zware, houten balk, waarin één of twee opwaarts gerichte schaafbeitels zijn aangebracht. De schaafbank steunt aan één zijde op twee poten; de andere zijde rust op de grond. Op de schaafbank krijgt de duig zijn definitieve vorm. [N E, 18; N E, 19a; N 53, 83; A 32, add.]
II-12
|
| 31815 |
schaafbeitel |
schaafbeitel:
šāf˱bęjtǝl (L270p Tegelen)
|
De snijdende beitel van de houtschaaf, die met een spie in het schaafblok vastgeklemd zit en een beetje uitsteekt buiten de schaafzool. Zie ook afb. 31c. Veel schaafbeitels zijn aan de bovenzijde verbonden met een keerbeitel. Zie ook het volgende lemma. [N 53, 54f; monogr.]
II-12
|