| 25148 |
rukwind |
stuwer:
sjtoewər (L270p Tegelen),
windvlaag:
wink vlaeg (L270p Tegelen)
|
rukwind, plotselinge, felle wind [trekwind, snuk wind, strobatie] [N 81 (1980)] || windstoot, ruk of stoot van de wind [hort, buis] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24326 |
runderhorzel, horzel |
horzel:
hoor’sel (L270p Tegelen)
|
horzel
III-4-2
|
| 24349 |
runderhorzellarve |
angelgat:
Veldeke (iets gewijzigd) Additie bij vraag 35 de beschadiging van t leer veroorzaakt door de larve van de runderhorzel) noemt men: -
angelgater (L270p Tegelen),
horzelmade:
Tegelen Wb.
hoorselmaaj (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
hoorselmaje (L270p Tegelen),
horzelworm:
Tegelen Wb.
hoorselworm (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
hoorselwörm (L270p Tegelen),
paardsmade:
Veldeke (iets gewijzigd)
paersmaje (L270p Tegelen)
|
larve [N 26 (1964)] || larve van de paardenhorzel, worm die in de uitwerpselen van een paard kan worden aangetroffen [N 26 (1964)] || larve van de runderhorzel, worm die grote bulten (wormbulten) veroorzaakt in de huid van runderen [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 20691 |
runderlapjes |
rindslapjes:
rings-lepkes (L270p Tegelen),
Syst. Veldeke
ringkslepkes (L270p Tegelen),
Syst. WBD
ringslèpkes (L270p Tegelen),
ringslépkes (L270p Tegelen)
|
runderlapjes || Runderlapjes (krippot, kripvlees?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34022 |
rundvee |
beesten:
bīstǝ (L270p Tegelen),
koeien:
kyi̯ (L270p Tegelen),
koevee:
kuvīǝ (L270p Tegelen),
rindvee:
reŋkvīǝ (L270p Tegelen),
vee:
vīǝ (L270p Tegelen)
|
Als vee gehouden runderen. Rundvee in het algemeen. Zie afbeelding 1. [N 3A, 1; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 20666 |
rundvleessoep |
rindvleessoep:
Syst. Veldeke
rinkvleissoep (L270p Tegelen),
Syst. WBD
rinkvleissoep (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
rundvleessoep:
Syst. Veldeke
rundvleissoep (L270p Tegelen),
Syst. WBD
rundvlei‧ssōēp (L270p Tegelen)
|
Soep van rundvlees (rundsolf?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 24371 |
rups |
groene rups:
greun-roeps (L270p Tegelen),
moosrups:
Tegelen Wb.
moosroepse (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
moosroepse (L270p Tegelen),
rups:
roeps (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
roeps (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
’n roeps (L270p Tegelen)
|
groene rups die koolbladeren tot op de nerf afvreet [N 26 (1964)] || rups [N 26 (1964)] || rups rups [DC 46 (1971)]
III-4-2
|
| 23860 |
rustaltaar |
rustaltaar:
rusaltaor (L270p Tegelen)
|
Een met bloemen versierd altaar dat langs de processieroute geplaatst is, rustaltaar [mei-altaar, heiligenhuisken, hilliejehuus-je]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 28553 |
rustperiode in de winter |
winterzit:
wentǝrzet (L270p Tegelen)
|
Periode van inactiviteit der bijen tijdens de winter. Met uitzondering van de darren overwintert het gehele bijenvolk. Een slaap is het niet te noemen. Er wordt namelijk wel voedsel opgenomen en verteerd, zij het in uiterst kleine hoeveelheden. Er zit ook enige beweging in de tros bijen. Hoe kouder het wordt, hoe dichter de bijen opeendringen. In het midden zit de koningin, omringd door een aantal jonge bijen. [N 63, 54a; N 63, 54b]
II-6
|
| 31825 |
ruwe blokschaaf |
korte voorloper:
kǫrtǝ vø̄rlø̜jpǝr (L270p Tegelen)
|
Blokschaaf zonder keerbeitel, die wordt gebruikt om stukken hout ruw af te schaven. Ruw schaafwerk werd in Herten (L 330), Stein (Q 15), Geulle (Q 18), Bilzen (Q 83) en Mechelen (Q 204a) met de voorloper gedaan. Zie ook het lemma ɛvoorloperɛ.' [N 53, 56; monogr.]
II-12
|