| 33901 |
rotstraal |
rotstraal:
rǫtštrǭl (L270p Tegelen)
|
Ziekte bestaande in een rotting van de hoornstraal van de hoef, vooral tengevolge van het onhygiënische omstandigheden op stal zoals het langdurig staan in vochtige mest en urine, waardoor de hoeven verweken. Uit de straalgroeve loopt een wit, stinkend vocht. Als de straallederhuid eveneens wordt aangetast, kan kreupelheid optreden. Zie ook het lemma ''straalkanker'' (7.31). Zie afbeelding 15.' [A 48A, 18; N 8, 90l; N 52, 32c; monogr.]
I-9
|
| 24066 |
rouw dragen |
in de rouw zijn:
in de rouw zien (L270p Tegelen)
|
Rouw dragen. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20421 |
rouwbrief |
rouwbrief:
rouwbreef (L270p Tegelen)
|
De rouwbrief. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24065 |
rouwkrans |
krans:
krants (L270p Tegelen)
|
De krans die op de kist wordt gelegd [krants]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20446 |
rouwsluier |
sluier:
sjluier (L270p Tegelen)
|
een rouwsluier, voile, falie [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 20447 |
rouwsluier aan een hoed |
rouwband:
rouw-bangk (L270p Tegelen)
|
rouwsluier(s) aan een hoed [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 21330 |
royaal |
royaal (<fr.):
rejaal (L270p Tegelen),
reyaal (L270p Tegelen),
rīēaal (L270p Tegelen),
royaal (L270p Tegelen)
|
royaal [DC 02 (1932)]
III-3-1
|
| 23721 |
rozenhoedje |
rozenkrans:
roeezekrants beeje (L270p Tegelen)
|
Een Rozenhoedje (waarbij men 1 maal het bidsnoer langs gaat). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23716 |
rozenkrans |
rozenkrans:
roeezekrants (L270p Tegelen)
|
De rozenkrans, het bidsnoer [bid-vr-ons?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23722 |
rozenkransgebed |
drie keer:
dreej kier (L270p Tegelen)
|
Het Rozenkransgebed (hierbij gaat men 3 maal het bidsnoer langs) . [N 96B (1989)]
III-3-3
|