| 33714 |
rooien |
puistenȳȳ:
pustǝ (L270p Tegelen),
uitrotten:
ūtrǫtǝ (L270p Tegelen)
|
Een stuk grond ontdoen van bomen, boomstronken, wortels en struikgewas. Een object als struiken, stronken, bomen, puisten is niet gedocumenteerd. [N 27, 6; N 27, 8b; R 3, 1; monogr.]
I-8
|
| 33201 |
rooien, algemeen |
uitdoen:
ūt˱dōn (L270p Tegelen)
|
In september wordt het loof geel en verdroogt het. Dan is het tijd om te rooien, het liefst op een zo droog mogelijk moment, zodat er geen modderige grond aan de aardappels blijft kleven. In dit lemma staan de algemene benamingen voor het uit de grond halen van aardappelen bijeen. Als er gevraagd werd naar het rooien met een speciaal stuk gereedschap, maar de zegslieden met de algemene term hebben geantwoord, is de opgave van het speciale lemma naar hier overgeplaatst. Op grond van de opgaven over dit speciale gereedschap om te rooien kon voor Belgisch Limburg een volkskundige kaart worden getekend over het gebruik van dergelijk gereedschap: kaart 21. In S 30 is naar het woord "rooien" gevraagd. Wanneer het woordtype rooien is opgegeven zonder nadere aanduiding mag niet uitgesloten worden dat daarmee "bomen rooien" kan zijn bedoeld. De varianten van uitdoen zijn geordend op het eerste lid ɛuit-ɛ. Bij het woordtype plukken merkten sommige zegslieden op dat men het loof van de planten trok om goede, kleine, pootaardappelen te verkrijgen. Bij het woordtype polderen wordt opgemerkt dat dit gebeurde bij grote boeren: onder ɛpolderenɛ verstaat men daar het gezamenlijke rooien door groepjes seizoensarbeiders. [N 12, 16 en 18; JG 1a, 1b; A 23, 17d2 en 17d3; L 34, 8; Lu 1, 17d2 en 17d3; S 30; monogr.; add. uit N 11A, 13c]
I-5
|
| 29529 |
rookkanalen |
kelker:
kɛlkǝr (L270p Tegelen)
|
Gangen onder de vloer van de bakruimte, afgedekt met een rooster van stenen, die dienen om de vlammen door de gehele oven te verspreiden. In de ovens in L 163 en L 164 werden deze rookkanalen echter niet toegepast. [N 49, 81]
II-8
|
| 20516 |
rookvlees |
gerookt vlees:
geruik vleis (L270p Tegelen),
rookvlees:
ruikvleis (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
rookvlees; Hoe noemt U: Een stuk gerookt vlees (krep, rookvlees) [N 80 (1980)] || stuk rundvlees dat gerookt is [DC 48 (1973)]
III-2-3
|
| 20818 |
rookwaren |
rokens:
tabak, sigaren en sigaretten
rou’kes (L270p Tegelen)
|
rookwaren
III-2-3
|
| 20676 |
room |
room:
raum (L270p Tegelen),
roum (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
rōm (L270p Tegelen),
rǫu̯m (L270p Tegelen),
rǭm (L270p Tegelen),
Syst. Veldeke
room (L270p Tegelen),
roum (L270p Tegelen),
Syst. WBD
raum (L270p Tegelen),
rau’m (L270p Tegelen),
roum (L270p Tegelen)
|
De room van de melk (de zaon?) [N 16 (1962)] || Het vette deel van de ongekookte melk dat boven komt drijven, als men de melk rustig laat staan. [N 6, 15a; N 16, 17; L 6, 15; L 14, 22; JG 1a, 1b, 2c; A 7, 15; A 39, 7a; Wi 53; Gwn 10, 1; monogr.] || room [DC 39 (1965)]
I-11, III-2-3
|
| 20743 |
roomhorentje |
crmesoes:
Syst. Veldeke
kraemsoeze (L270p Tegelen),
crmetuit:
Syst. Veldeke
kraemtōēwte (L270p Tegelen),
roomhoren:
Syst. WBD
raumhoor (L270p Tegelen),
roomsoes:
Syst. Veldeke
roumsoeze (L270p Tegelen),
roomtuit:
Syst. Veldeke
roumtōēwte (L270p Tegelen),
Syst. WBD
raumtōēt (L270p Tegelen),
snotertoot:
Syst. WBD
sjnootertoët (L270p Tegelen),
snottoot:
sjnôttóet (L270p Tegelen)
|
crème-hoorn (soort gebak) || Roomhoren (kréémhorre, vulhorentje, zweretige vinger?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20084 |
roos (rosa) |
roos:
roës (L270p Tegelen),
ruəzə (L270p Tegelen)
|
roos || rozen [RND]
III-2-1
|
| 19910 |
rooster |
rooster:
rȳstǝr (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
Het tussen vlammuur en zijwand aangebrachte metalen rooster waarop het vuur gestookt wordt. [monogr.] || Het van metalen staven vervaardigde rooster in de oven. In L 163 en L 164 lagen de roosters in de stookgaten. In L 163 was op ± 30 cm boven de bodem van het asgat een serie (±16 tot 20 stuks) staafroosters geplaatst. De roosters (± 1 m lang, van gietijzer) raakten elkaar vóór, achter en in het midden om kromtrekken te voorkomen. Voor de rest bevond zich tussen de roosters een spleet van ± 2 cm. In L 270 lag het rooster vooraan in de oven. De oven was binnen 6 m lang; de eerste meter bestond uit roosterstaven van 1 m lang en er lagen er 50 stuks in de oven over een breedte van 2 m. [N 49, 75; monogr.]
II-8
|
| 33376 |
rooster in de mestgoot |
mestzij:
męs˲zei̯ (L270p Tegelen)
|
Soms ligt onder in de mestgoot een rooster, een plank of plaat met gaten, die de mest tegenhoudt en alleen de gier moet doorlaten. Onder dit rooster bevindt zich een goot die met de gierput in verbinding staat. Zie ook afbeelding 10.A.e bij het lemma "koeienstand" (2.2.23). [N 5A, 42b]
I-6
|