| 17931 |
rondslenteren, ronddolen |
(zich) vertreden:
i.e. doelloos rondlopen.
zich vertrèje (L270p Tegelen),
dabberen:
dabbere (L270p Tegelen),
dweilen:
dweile (L270p Tegelen),
rondlummelen:
rónklummele (L270p Tegelen),
rondslenteren:
ròngksjlentere (L270p Tegelen),
rondslungelen:
ròngksjlungele (L270p Tegelen),
zwabberen:
zjwabbere (L270p Tegelen)
|
lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)] || lopen: zonder doel rondlopen (over straat) [vendele, zwaddere, rakke] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 23851 |
rondtrekken van de processie |
rondtrekken:
ronktrèkke van de processie (L270p Tegelen)
|
Het rondtrekken van de processie [brónke]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 34597 |
rongblokken |
schemels:
(enkelv)
šēmǝl (L270p Tegelen)
|
Twee tot vier dwarsbalken die zowel bij de hoogkar met ladders als bij de langwagen voorkomen en waarin op de uiteinden de rongen gestoken worden. Bij de hoogkar gaat het om blokken waarop de ladders rusten. Deze ladders worden dan ondersteund door de rongen, die in de rongblokken zitten. Bij de wagen gaat het om dwarsbalken die op de langboom bevestigd zijn. Hier ondersteunen de rongen die in de rongblokken zitten de zijwanden van de wagen. [N 17, 12b + 13a + 44f + 44g; N G, 70c; JG 1b; JG 1d; JG 2b; JG 2c; monogr.]
I-13
|
| 34596 |
rongen |
rongen:
roŋǝ (L270p Tegelen)
|
Twee tot acht houten of ijzeren spijlen die op de kar of wagen staan ter versteviging en/of ondersteuning van de zijwand (zowel -plank als -ladder). De rongen zitten bij de wagen in de rongblokken, terwijl ze bij de kar door middel van rongkrammen bevestigd zijn aan de onderzijde van de draagbalken van de karbak. [N 17, 12c + 31 + 44g + add; N G, 60d; JG 1a; JG 1b; JG 2b; JG 2c; Lu 4, 3a]
I-13
|
| 34599 |
rongogen |
karoren:
kɛrūrǝ (L270p Tegelen),
rongogen:
roŋǫu̯gǝ (L270p Tegelen)
|
Metalen krammen waarin de rongen gestoken werden om ze aan de draagbalk van de bak te bevestigen. [N 17, 32; N G, 60e; monogr]
I-13
|
| 33810 |
roodbont paard |
koepaard:
kupē̜rt (L270p Tegelen)
|
Bruin paard, rood-wit gevlekt als een koe. [N 8, 63d, 63e en 63g]
I-9
|
| 34029 |
roodbonte koe van het donkerrode type |
roodbont (bijvgl. nmw.):
rūtbǫŋkt (L270p Tegelen),
roodbonte koe:
rūǝtboŋtǝ [koe] (L270p Tegelen)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 121a]
I-11
|
| 34030 |
roodbonte koe van het oranjerode type |
oranjebont (bijvgl. nmw.):
oranjǝbǫŋkt (L270p Tegelen),
roodbont (bijvgl. nmw):
rūtbǫŋkt (L270p Tegelen),
roodbonte koe:
rūǝtboŋktǝ [koe] (L270p Tegelen)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 121b]
I-11
|
| 24237 |
roodborstje |
roodborstje:
rôêtbòrsje (L270p Tegelen)
|
roodborst
III-4-1
|
| 28564 |
roofbijen |
rovers:
rø̜jvǝrs (L270p Tegelen)
|
Bijen die honing roven bij andere volken. Wanneer bijen in drachtloze perioden geen honing meer kunnen vinden in de bloemen, dan gaan ze die zoeken bij andere volken. [N 63, 67c; N 63, 67a; Ge 37, 96; monogr.]
II-6
|