| 34461 |
roepwoord voor de jonge geit |
lem, lem, lem:
lɛm, lɛm, lɛm (L270p Tegelen),
metje, metje:
mɛtjǝ, mɛtjǝ (L270p Tegelen)
|
[N 19, 74f; VC 14, 2m -r-]
I-12
|
| 34217 |
roepwoord voor de stier |
kom jong:
kom joŋ (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 13]
I-11
|
| 20819 |
roeren |
roeren:
reure (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
roeren [DC 47 (1972)]
III-2-3
|
| 25088 |
roest |
roest:
roes (L270p Tegelen)
|
roest, rood- of bruingele bedekking die aan de oppervlakte van ijzer en staal ontstaat door verbinding met zuurstof, vooral in een vochtige omgeving [roester] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 30107 |
roetschuif |
roetlok:
rōtloǝk (L270p Tegelen)
|
Schuifje aan de voet van de schoorsteen waardoor roet naar buiten kan worden gehaald. [N 32, 26c; monogr.]
II-9
|
| 32976 |
rogge |
koren:
[koren] (L270p Tegelen)
|
Secale cereale L. Tot in de jaren vijftig het meest geteelde graangewas in Limburg, met uitzondering van Haspengouw, waar tarwe de meest verbouwde graansoort was. Men zaait ongeveer 170 kg rogge per hectare. Het koren-gebied in dit lemma wijkt aanzienlijk af van dat in het lemma ''graan, koren'' (1.2.1); vergelijk de kaarten die bij de lemma''s getekend zijn. Zie voor de benaming koren en voor de fonetische documentatie van het woord [koren] in het gebied waar ''koren'' zowel de algemene benaming alsook de benaming van de rogge is, het lemma ''graan, koren'' (1.2.1). Zie afbeelding 1, a. [JG 1a, 1b; L 34, 55b; L lijst graangewassen, 6; S 30; Wi 52; monogr.; add. uit N 15, 1a]
I-4
|
| 20760 |
roggebrood |
brood:
broëd (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
pompernikkel:
Syst. Veldeke Zo drueg wie pómpernikel is n aad gezagde, maar nemes wès nag wat pómpernikel is
pómpernikel (L270p Tegelen),
Syst. WBD Pas de laatste jaren (gestoomd brood)
pompernikkel (L270p Tegelen),
Syst. WBD ~ = hard brood
pompernikkel (L270p Tegelen)
|
Kent uw dialect het woord pompernikkel = bepaald soort roggebrood. A.u.b. ook de dialectvorm van uw plaats opgeven en eventueel de betekenis toelichten. [N 16 (1962)] || roggebrood [DC 35 (1963)]
III-2-3
|
| 20674 |
roggemeelpap |
roggemeelpap:
Syst. WBD
roggemaelpap (L270p Tegelen),
roggepap:
Syst. Veldeke
rögkepap (L270p Tegelen)
|
Pap van roggemeel (prol?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18314 |
rok als bovenkledingstuk |
overrok:
euverrok (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
rok als bovenkledingstuk [aoverrok, bovenrok, booveschort] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18320 |
rok van grove stof |
tiereteien:
uitgestorven Van Dale: tieretein (<Ofr.), (veroud.) geweven stof met een linnen ketting en een wollen inslag. WNT: tieretein, tierentaeje rock.
tèèrteie (L270p Tegelen),
vroeger gehoord, maar is nu uitgestorven Van Dale: tieretein (<Ofr.), (veroud.) geweven stof met een linnen ketting en een wollen inslag. WNT: tieretein, tierentaeje rock.
taertejje (L270p Tegelen),
tiereteien rok:
De afgeschoren wol (van eigen schapen) werd naar een weverij gestuurd, die hiervan een ijzersterke stugge stof weefde; gewoonlijk wit-blauw of zwart-rood gestreept. Deze stof werd dan tot dikgeplooide wijde onderrokken verwerkt. Vero.
teertejje rok (L270p Tegelen),
Van Dale: tieretein (<Ofr.), (veroud.) geweven stof met een linnen ketting en een wollen inslag. WNT: tieretein, tierentaeje rock.
teertejje rok (L270p Tegelen)
|
onderrok van speciaal geweven, praktisch onverslijtbare stof || rok van grove zware stof [teerteje rok, pels, tiejte sjort] [N 24 (1964)]
III-1-3
|