| 34034 |
rode koe met geheel witte kop |
witkop:
wetkǫp (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 125a]
I-11
|
| 34035 |
rode koe met witte kop en rode vlekken om de ogen |
blaar:
blǭr (L270p Tegelen),
blaarkop:
blārkǫp (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 125b]
I-11
|
| 20655 |
rode kool |
rode kool:
roeje koel (L270p Tegelen),
roeje koeël (L270p Tegelen),
roëje koel (L270p Tegelen),
roëje koël (L270p Tegelen),
rood moes:
roeëd moos (L270p Tegelen),
roëd moos (L270p Tegelen),
roëdmoos (L270p Tegelen),
roëd’moos (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
rode kool || Rode kool (als plant of gewas) [DC 27 (1955)], [N Q (1966)], [N Q (1966)] || rode kool als gerecht [N Q (1966)]
I-7, III-2-3
|
| 24235 |
roek |
dool:
daol (L270p Tegelen),
roek:
roek (L270p Tegelen)
|
Hoe heet de roek? [DC 06 (1938)] || roek
III-4-1
|
| 34546 |
roep- en lokwoord voor de eend |
wiele, wiele:
wīlǝ, wīlǝ (L270p Tegelen),
wiele, wiele, wiele:
wilǝ, wilǝ, wilǝ (L270p Tegelen)
|
[L 18, 2; L B2, 259b; GV 2, 2k; VC 14, 2r -r-; Vld.; N 19, 74, Q 111 add.; A 6, Q 36 add.; monogr.]
I-12
|
| 34552 |
roep- en lokwoord voor de gans |
wiele, wiele, wiele:
wīlǝ, wīlǝ, wīlǝ (L270p Tegelen)
|
Naast het roepen van namen kan men de ganzen ook lokken door met de tong te klakken of te fluiten. [VC 14, 2p -r-; L 47, 9d; A 6, 6]
I-12
|
| 34530 |
roep- en lokwoord voor de haan |
tok, tok, tok:
tǫk, tǫk, tǫk (L270p Tegelen)
|
In vraag 2a van de "Amsterdamse" lijst 6 werd specifiek gevraagd naar "lok- of roepnaam voor de haan". Een groot aantal informanten zegt geen onderscheid te maken bij het roepen of lokken van haan, hen of kuiken. De antwoorden die specifiek werden gegeven voor lok- of roepnaam voor de haan zijn in dit lemma opgenomen. [A 6, 2a]
I-12
|
| 34528 |
roep- en lokwoord voor de kip |
tuut, tuut, tuu:
tȳt, tȳt, tȳ (L270p Tegelen),
tuut, tuut, tuut:
tyt, tyt, tyt (L270p Tegelen)
|
Naast de verschillende roepwoorden kan men de kippen ook lokken door een zuigend klappend geluid te maken met de tong tegen de tanden (P 176 (Sint-Truiden)) of door te fluiten (Q 2 (Hasselt)). [N 19, 44a; L 47, 9a; A 6, 2b; A 6, 2a; VC 14, 2n -r-; Vld.; L B2, 259a; monogr.]
I-12
|
| 34379 |
roep- en lokwoord voor een big |
kuus, kuus, kuus:
kys, kys, kys (L270p Tegelen),
kuusje:
kyskǝ (L270p Tegelen)
|
Roep- en lokwoord voor een big. Iets roepen kan ook vervangen worden door een smakkend geluid te maken of door te klakken met de tong. [N 19, 11b; VC 14, 2d r; monogr.]
I-12
|
| 34219 |
roep- en lokwoord voor het kalf |
mup:
mø̜p (L270p Tegelen)
|
Met kan een kalf roepen met de algemene benamingen kalf, kalfje, muk enzovoorts, met eigennamen als Liesje, met klanknabootsingen of eventueel met het rammelen van melkemmers. [N C, 17; VC 14, 2b (r]
I-11
|