| 23645 |
rinkelen met de altaarbel |
bellen:
bellen (L270p Tegelen)
|
Met deze bel rinkelen, bellen, schellen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24409 |
ritnaald, larve van de kniptor |
koperworm:
Tegelen Wb.
koperworm (L270p Tegelen),
patattenworm:
Veldeke (iets gewijzigd)
’ne petatteworm (L270p Tegelen),
ritnaald:
Veldeke (iets gewijzigd)
ritnald (L270p Tegelen),
schietworm:
sjeet’worm (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
’ne sjeetworm (L270p Tegelen)
|
emelt, ritnaald, larve vd kniptor || ritnaald, koperworm, schadelijke kniptor-larve die van plantenwortels leeft [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 18214 |
ritssluiting |
ritssluiting:
ritssjloéting (L270p Tegelen),
vrouwelijk
rits-sloeting (L270p Tegelen)
|
Ritssluiting [DC 64 (1989)]
III-1-3
|
| 18058 |
rochelen |
klieken:
i.e. uitspuwen.
kleke (L270p Tegelen),
rochelen:
rochele (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
róchele (L270p Tegelen)
|
rochelen [klieke, kwalsteren, kwaaieren] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 33478 |
rode aalbes |
miemeren:
mv.
mie’mere (L270p Tegelen)
|
aalbes
I-7
|
| 33231 |
rode biet |
kroot:
krōǝt (L270p Tegelen)
|
Beta vulgaris L. var. rubra L. Deze bietensoort hoort eigenlijk onder de groenten uit de moestuin, en daardoor in de aflevering over de boerderij en het erf, maar is toch hier ondergebracht vanwege "lexicale nabijheid" met biet, kroot. De knollen met een doorsnee van 8-10 cm worden gekookt en warm of koud als salade gegeten. De knollen en het kookvocht hebben een felle donkerpaarse kleur. [A 4, 26d; A 13, 2a; A 49, 1b; L 20, 26d; monogr.]
I-5
|
| 20886 |
rode bieten |
kroten:
kroëte (L270p Tegelen)
|
rode bieten; Wanneer ze als groente voor het eten bestemd zijn en er wordt thuis gevraagd: "Wat eten we vandaag?"wat wordt er dan geantwoord? "We eten vandaag ............. [DC 49 (1974)]
III-2-3
|
| 24405 |
rode bosmier |
bosmier:
bosmier (L270p Tegelen),
boszeikdempel:
bosêkdimpels (L270p Tegelen),
rode zeikdempel:
roej zêkdimpels (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
roëje zêkdimpels (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
roëj zêkdimpels (L270p Tegelen)
|
bosmier, (grote) rode ~ [stekkedraoger, brak] [N 26 (1964)] || mier, grote donkere [DC 43 (1968)] || mier, kleine rode — [DC 43 (1968)]
III-4-2
|
| 33257 |
rode klaver |
rode klee:
rui̯ǝ [klee] (L270p Tegelen),
weiklee:
węi̯[klee] (L270p Tegelen)
|
Trifolium pratense L. Een 15 tot 50 cm hoge plant met paarsrode of roze bloemhoofdjes, die van juni tot de herfst bloeien. Rode klaver wordt vooral als veevoeder geteeld. Rode klaver gedijt, overigens evenals witte klaver, het best "onder dekvrucht", d.w.z. dat het tegelijk met een winterkoren wordt gezaaid en dan pas opkomt wanneer die dekvrucht in de herfst is geoogst. In het volgende seizoen wordt de klaver dan geweid of enkele malen gemaaid. Rode klaver is wat "kieskeuriger" dan witte klaver, stelt hogere eisen aan de grond, maar schiet goed recht op en laat zich gemakkelijker maaien. Zie ook de toelichting bij het lemma Klaver, Algemeen. Zie het lemma Klaver, Algemeen voor de fonetische documentatie van de woord(delen) klaver(-) en klee(-). [N 14, 83; monogr.]
I-5
|
| 34033 |
rode koe |
rode koe:
rūi̯ [koe] (L270p Tegelen),
rūǝi̯ [koe] (L270p Tegelen)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 124]
I-11
|