| 33084 |
rijzen, uit de aren vallen |
rijzen:
rīzǝ (L270p Tegelen),
ruizelen:
røzǝlǝ (L270p Tegelen)
|
Het uit de aren vallen van de graankorrels, wanneer het graan goed droog is en op de wagen getast wordt. ''tasser op de wagen'' (5.1.5). In L 286 en 288 voegt men toe dat dergelijk koren rijskoren (riskōrǝ) wordt genoemd. De laatste drie uitdrukkingen betekenen zoveel als: "het koren is zo droog dat de korrels uit de aren vallen". Naar de fonetische verschijningsvorm zouden de uitdrukkingen (het is) rijs echter ook persoonsvormen van het werkwoord rijzen kunnen zijn.' [N 15, 53; JG 1a, 1b, 2c; L 32, 41; monogr.]
I-4
|
| 27037 |
rim |
aanslag:
ānšlāx (L270p Tegelen)
|
De eerste laag bij het aanleggen van een ring volgens het systeem van één scheerturf tegenover twee kopturven opgebouwd. [A 44, 21g]
II-4
|
| 29012 |
rimpelen, fronsen |
ophalen:
ophǭlǝ (L270p Tegelen),
rimpelen:
rømpǝlǝ (L270p Tegelen)
|
Al plooiend rijgen. Rimpelen is het uitrekken van een hoeveelheid stof tot een vooraf bepaalde kortere lengte, langs één of meer stiklijnen, waarbij de ruimte wordt verdeeld in gelijke, soepele plooitjes (Het Beste Naaiboek, pag. 178). Bij fronsen wordt de ruimte over een bredere afstand verdeeld dan bij rimpelen. Zie afb. 46. [N 59, 53; N 62, 12a; N 62, 30; Gi 1.IV, 34; MW; monogr.]
II-7
|
| 18396 |
ring |
ring:
ene (R)ihngk-S-S (L270p Tegelen),
rink (L270p Tegelen)
|
ring [GTP]
III-1-3
|
| 29858 |
ring, kleiring |
aardering:
ē̜rtreŋk (L270p Tegelen),
aardsring:
ē̜rtsreŋk (L270p Tegelen),
ring:
reŋk (L270p Tegelen)
|
Kuil rond de kleimolen, waarin de kleivoorraad werd opgeslagen. De natgemaakte klei onderging hierin een rottingsproces. Men zei dan dat de klei lag te zompen: ɛzǫmp\ɛ L 374, ɛzump\ɛ L 381.' [monogr.]
II-8
|
| 29518 |
ringeloren |
ringeloren:
reŋǝlūrǝ (L270p Tegelen)
|
Met behulp van een met engobe gevulde horen versieringen aanbrengen op het werkstuk. [monogr.]
II-8
|
| 33582 |
ringen, randen verwijderen van peulvruchten |
pijzen:
paeze (L270p Tegelen),
pae’ze (L270p Tegelen),
ringen:
rengen (L270p Tegelen),
ren’ge (L270p Tegelen)
|
[N Q (1966)]ringen, snijbonen van draden ontdoen
I-7
|
| 24234 |
ringmus |
korenzeiker:
kōrəzēīkers (L270p Tegelen),
mus:
moets (L270p Tegelen)
|
Hoe heet de ringmusch? [DC 06 (1938)]
III-4-1
|
| 29775 |
ringoven |
ringoven:
reŋk˱ǭvǝ (L270p Tegelen)
|
Ringvormige oven waarin het vuur zich, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de veldoven, periodiek verplaatst. De oven werd ontworpen door de Duitsers F. Hoffman en A. Licht. De ringoven werd gebruikt in de steen-, pannen- en gresbuizenindustrie. Zie afb. 25. De ringoven was oorspronkelijk een rond, later een langwerpig met ronde of rechte uiteinden geconstrueerd gebouw met gewelven. In het hart stond de schoorsteen die werd omringd door een klein kanaal, de rookgang, en een groter, de stookgang, waarin de vormelingen werden geplaatst. In het gewelf van de stookgang werd door de stoker via stookpotten de brandstof gedeponeerd in de in de inzet uitgespaarde stookkanalen. Trekgaten, voorzien van rookklokken, in de brandmuur of vuurplaat tussen de twee kanalen zorgden voor de afvoer van rook en lucht. Met het aantal trekopeningen correspondeerden een gelijk aantal poorten in de buitenste ringmuur. Hoewel de stookgang één grote ruimte was, noemde men het gedeelte van poort tot poort een kamer. Door middel van een ijzeren schuif was het mogelijk de kamer af te sluiten. Dientengevolge kon de stoker met behulp van de rookklokken in de trekgaten het vuur vooruittrekken, nadat de schuif een kamer verder was ingezet (Geuskens, pag. 149). [N 98, 127; monogr.]
II-8
|
| 24449 |
ringrups |
ringelrups:
Tegelen Wb.
ringelroeps (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
ringelroeps (L270p Tegelen)
|
ringelrups, ringrups, kleurig gestreepte rups van de vlinder die zijn eitjes in een ring om de takken van bomen ne heesters legt [N 26 (1964)]
III-4-2
|