| 18546 |
rijbroek |
rijboks:
rie bóks (L270p Tegelen),
riej-bôks (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
riejbòks (L270p Tegelen)
|
rijbroek met nauw om het onderbeen sluitende pijpen [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 32588 |
rijen mesthoopjes markeren |
de hoopjes tekenen:
dǝ hø̜pkǝs tęi̯kǝnǝ (L270p Tegelen)
|
Voordat er mesthoopjes in evenwijdige rijen op een akker worden uitgereden, schrijdt de boer het perceel af, waarbij hij om de zoveel passen het begin van elke rij markeert met een bepaald teken (een stokje, een kuiltje in de grond, een hoopje aarde e.d.). De afstand tussen de rijen kan variëren van 3 tot 9 meter. Bepalend voor die afstand is de hoeveelheid mest die de bodem nodig heeft, ofwel de hoeveelheid mest die beschikbaar is. [N M, 11; N 11A, 22]
I-1
|
| 33174 |
rijentrekker |
lijnentrekker:
līnǝntrękǝr (L270p Tegelen),
vorentrekker:
vōrǝtrękǝr (L270p Tegelen)
|
De rijentrekker is een houten harkachtig gereedschap waarmee evenwijdige lijnen of sleuven getrokken worden, waarlangs gezaaid of gepoot wordt, zonder dat men telkens touwen hoeft te gebruiken. Door op de snijpunten te planten van de lengtelijnen en de dwarslijnen die men over de akker heeft getrokken, kan men de afstand tussen de planten gelijk houden. Sommige rijentrekkers hebben aan boven- én onderkant tanden. De afstanden tussen de tanden variëren, afhankelijk van de plantensoort die gekweekt wordt. Er zijn ook rijentrekkers met verstelbare tanden. De gebruikelijke afstand tussen de aardappelstruiken varieert van 40 tot 60 cm. [N 18, 96; monogr.; add. uit N 18, 43; N 11A, 83]
I-5
|
| 28973 |
rijgen |
rijen:
ręjǝ (L270p Tegelen)
|
Het voorlopig verbinden van een of twee delen aan elkaar met de rijgsteek, op tafel of op de hand. [N 59, 52b; N 59, 51a; N 59, 51b; N 62, 6; N 62, 7; L 1a-m; L 1u, 41; L B1, 75; Gi 1.IV, 19; MW; S 7; monogr.]
II-7
|
| 28853 |
rijggaren |
rijgaren:
rējgārǝ (L270p Tegelen)
|
Grover soort garen, die men gebruikt om de patroondelen voorlopig aan elkaar vast te naaien (Gerritse, pag. 37). De antwoorden van de informanten zijn in twee delen gesplitst. De eerste groep bestaat uit woordtypen waarvan men het gebruik van het garen kan afleiden. De tweede groep woordtypen geeft niet alleen het gebruik aan, maar ook het materiaal waarmee men werkt. [N 59, 6b; N 62, 57; monogr.]
II-7
|
| 18358 |
rijglaars |
rijgstevel:
ri-jsjtevel (L270p Tegelen),
riejštevel (L270p Tegelen),
stevel:
sjteevel (L270p Tegelen)
|
laars waarvan het beenstuk moet worden dichtgeregen [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 28974 |
rijgsteek |
rijsteek:
ręjštēk (L270p Tegelen)
|
Zie afb. 31. [N 59, 52a; N 62, 16a; N 62, 6]
II-7
|
| 21435 |
rijk zijn |
centen hebben:
dae haet sente (L270p Tegelen),
duchtig moppen hebben:
dugtig moppe hebbe (L270p Tegelen),
er goed bij zitten:
d⁄r good beej zitte (L270p Tegelen),
d⁄r good bijj zitte (L270p Tegelen),
geld wie water hebben:
geld wie water hebbe (L270p Tegelen),
in de wol geverfd zijn:
in de wol geverfd (L270p Tegelen),
in het geld zwemmen:
dae zjwumt in ⁄t geld (L270p Tegelen),
in ⁄t geld zjwumme (L270p Tegelen),
moppen hebben:
dae haet möp (L270p Tegelen),
rijk zijn:
riek zien (L270p Tegelen),
stinken van het geld:
hae sjtinkt van ⁄t geld (L270p Tegelen),
zo rijk zijn als het water diep is:
zo riek as ⁄t water deep (L270p Tegelen),
zo rijk zijn wie het water diep is:
Opm. de ie (van "riek") gerekt uitspreken.
zoë riek wie ⁄t water deep is (L270p Tegelen)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: rijk zijn [rijk zijn, zwemmen in zijn geld, een groot fortuin hebben enz. enz.] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 21269 |
rijkdom |
rijkdom:
rikdom (L270p Tegelen)
|
rijkdom [RND]
III-3-1
|
| 21609 |
rijksdaalder |
rijks:
Opm. zo wordt het ook wel genoemd.
riks (L270p Tegelen),
rijksdaalder:
eine rieksdaalder (L270p Tegelen),
⁄ne riksdaalder (L270p Tegelen)
|
rijksdaalder, een ~ [vijftiger, knaak, ploegrol?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|