| 23674 |
retraite |
retraite (fr.):
retraite (L270p Tegelen)
|
Enige dagen van geestelijke afzondering en gebed in een klooster of een daarvoor bestemd huis [retraite?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23677 |
retraitehuis |
retraitehuis:
retraitehoees (L270p Tegelen)
|
Een huis of inrichting waar retraites worden gehouden, retraitehuis. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 25438 |
reuzel |
lies:
lēs (L270p Tegelen),
%%meervoud%%
lēzǝ (L270p Tegelen)
|
Bladvet, vetweefsel tegen de achtervlakte van de buik bij varkens. Het zijn twee platen vet. Men hangt ze op een stok te drogen (P 107a) en vervolgens worden ze in vierkante stukjes gesneden. Algemeen gebruik is dat deze vierkante stukjes worden gebraden tot "kaantjes". Het vet dat na het uitbakken overblijft, gebruikt men als smeer- of bakvet. [N 28, 75; N 28, 76; monogr.]
II-1
|
| 20633 |
reuzel, bladvet |
lies:
Syst. WBD
lees (L270p Tegelen),
liezen:
lees (L270p Tegelen),
Syst. Veldeke
lees (L270p Tegelen),
Syst. WBD
lees (L270p Tegelen),
reuzel:
Syst. Veldeke
reusel (L270p Tegelen),
Syst. WBD
reuzel (L270p Tegelen)
|
de lange stroken vliesvlees langs de ribben van een geslacht varken die tot vet worden gesmolten || Ongesmolten varkensvet, reuzel, (vlieze, vieze, vizze, reuzel?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18265 |
revers |
omslag:
ømšlāx (L270p Tegelen),
revers:
rǝvēr (L270p Tegelen)
|
De omslag van de kraag op de borst. [N 59, 124; N 62, 31d; MW]
II-7
|
| 17655 |
rib |
rib:
rib (L270p Tegelen),
rub (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
röb(bekas) (L270p Tegelen)
|
rib, ribben [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 25444 |
ribben in stukken delen |
doorkappen:
dōrkapǝ (L270p Tegelen),
doorzagen:
dōrzāxǝ (L270p Tegelen)
|
[N 28, 104; N 28, 106a; monogr.]
II-1
|
| 29929 |
richten |
richten:
rextǝ (L270p Tegelen)
|
Het hoogste punt bereiken bij een in aanbouw zijnde woning. Er wordt dan een versierde tak, kleine boom of vlag op de nok van het bouwwerk geplaatst. De eigenaar tracteert de arbeiders op drank of, volgens de invullers uit L 216, L 386 en Q 95, op geld. Zie ook het lemma 'pannenbier'. [monogr.; N 88, 184 add.; div.]
II-9
|
| 32840 |
riek of schop om mestplakken en molshopen te verspreiden |
strontschup:
(gewone) schup (L270p Tegelen),
kleine schoep (L270p Tegelen),
%%voor de verspreiding van mestplakken en/of molshopen gebruikt men deze%%
riek (L270p Tegelen)
|
Termen die niet op een speciaal bij de verspreiding van mestplakken of molshopen gebruikte riek of schop wijzen, zijn aan het eind van het lemma slechts in de woordtypevorm vermeld. Voor de dialectvarianten daarvan zie men de lemmata ''mestriek'' en ''spade, spitschop'', alsmede de schopbenamingen in I.4 onder "gereedschap en gerei in het algemeen". [N 14, 81; N 18, 29; div.]
I-2
|
| 33212 |
riek om te rooien |
viertands:
vērtɛŋs (L270p Tegelen),
vijftands:
viftɛŋs (L270p Tegelen)
|
Speciale aardappelriek om mee te rooien, waarvan de benaming afwijkt van die van de algemene riek. Doorgaans heeft de rooiriek minder tanden dan de algemene riek die dient om aardappels te scheppen en te verplaatsen. Drie of vier tanden is normaal. Zie de toelichting bij het lemma Aardappelriek, Algemeen. Bij het type mesthaak, mestgaffel is uitdrukkelijk opgegeven dat het stuk gereedschap met deze naam voor het rooien van aardappelen wordt gebruikt. In L 360 merkt de zegsman op dat men om te rooien een riek gebruikt met platte tanden, zonder bolletjes; en om te scheppen een riek met ronde tanden met bolletjes. [N 12, 36; N 18, 23 en 26b; JG 2c; A 28, 3; monogr.; add. uit N 18, 58 en 60]
I-5
|