| 19558 |
rasp |
rasp:
rosp (L270p Tegelen),
raspel:
raspel (L270p Tegelen),
raspəl (L270p Tegelen),
rijf:
rīēf (L270p Tegelen)
|
rasp || rasp (rief, raspel, raps) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19839 |
raspen |
rijven:
rIēvə (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
raspen; Hoe noemt U: Met een rasp fijn maken (raspelen, raspen, rieven) [N 80 (1980)]
III-2-1, III-2-3
|
| 31882 |
raspen, grof vijlen |
raspelen:
raspǝlǝ (L270p Tegelen)
|
Een stuk hout met een houtrasp of een grove houtvijl een eerste, ruwe bewerking geven. [N 53, 158a; monogr.]
II-12
|
| 23798 |
ratel van witte donderdag |
ratel:
raatel (L270p Tegelen)
|
De ratel die van Witte Donderdag tot aan de zaterdag vóór Pasen in plaats van de altaarschel tijdens de mis wordt gebruikt. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 31424 |
ratelbooromslag |
boorknar:
bǭrknar (L270p Tegelen),
hoekboor:
hōk˱bǭr (L270p Tegelen),
knar:
knar (L270p Tegelen)
|
Booromslag die na een halve draai teruggedraaid kan worden zonder dat het boorijzer meedraait. In de boorhouder is daartoe een tandwieltje aangebracht, dat tijdens het boren een ratelend geluid maakt. De ratelbooromslag wordt gebruikt op plaatsen, waar het niet mogelijk is de zwengel volledig rond te draaien, bijvoorbeeld in hoeken. Zie ook afb. 82. [N 53, 161c; N 53, 173a]
II-12
|
| 20529 |
rauw |
groen:
greun (L270p Tegelen)
|
rauw; Hoe noemt U: Rauw, niet gekookt (groen, rauw) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 22338 |
ravotten |
busselen:
Wordt gezegd van b.v. n groter kind, dat met n kleine peuter, kat of hondje heen en weer sjouwt, en allerlei dingen doet zonder dat er van n bepaald spel sprake is. (zie ook: pôngele).
bössele (L270p Tegelen),
pongelen:
[Wordt gezegd van b.v. n groter kind, dat met n kleine peuter, kat of hondje heen en weer sjouwt, en allerlei dingen doet zonder dat er van n bepaald spel sprake is].
pôngele (L270p Tegelen),
rotsen:
rutse (L270p Tegelen),
stoelbotsen:
Vero.
sjtoelboetse (L270p Tegelen)
|
Ravotten. || Stoeien, maar dan in de meest rustige betekenis van het woord. || Stoeien, ravotten. || zie: bössele. [Stoeien, maar dan in de meest rustige betekenis van het woord].
III-3-2
|
| 17902 |
recht vooruitstoten met de armen |
boksen:
boeksen (L270p Tegelen),
stoten:
sjtoëte (L270p Tegelen),
stoete (L270p Tegelen)
|
stoten: met de armen recht vooruit stoten [stuike] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 17674 |
rechte, vormeloze benen |
bonenstaken:
boënesjtake (L270p Tegelen),
staken:
stake (L270p Tegelen),
stiepen:
stiepe (L270p Tegelen)
|
benen: rechte, vormloze benen [mok-, motbeene] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 29728 |
rechten |
richten:
rextǝ (L270p Tegelen)
|
Het oprichten van de uit de vormen plat neergelegde stenen, nadat ze enige tijd gedroogd hadden. In Q 121 werden de stenen in rijen van twee in banen geplaatst. Men zei dan de stenen twee aan twee (tswaj ā tswaj) stonden. Het rechten was in P 47 niet gebruikelijk. [N 98, 99; monogr.]
II-8
|