| 19057 |
raar, vreemd |
aardig:
aardig (L270p Tegelen),
gek:
gek (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
raar:
raar (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
ongewoon, zonderling, vreemd || raar [DC 02 (1932)]
III-1-4
|
| 28447 |
raat |
raat:
rǭt (L270p Tegelen)
|
Een raat is een schijf gevormd door twee lagen met de rug tegen elkaar liggende zeszijdige cellen. Ze wordt door de bijen gemaakt voor het opkweken van de larven en voor het opbergen van honing in de winter. Het bouwsel is van was. [N 63, 13a; L 1a-m; S 3; A 25, 10; JG 1a+1b; JG 2b-5, 3; Ge 37, 53; monogr.]
II-6
|
| 19224 |
raden |
raden:
raoije (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
raoj:en (L270p Tegelen),
raoje (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
raden [N 07 (1961)]
III-3-2
|
| 33577 |
radijs |
radijsje:
redies’ke (L270p Tegelen)
|
radijs
I-7
|
| 32189 |
radmaker |
radmaker:
rātmē̜kǝr (L270p Tegelen)
|
Vakman die gespecialiseerd is in het maken van houten wielen voor karren en wagens. Reparaties aan de houten wielen konden niet alleen door de wagenmaker, maar ook door de timmerman/schrijnwerker worden uitgevoerd. Zegslieden uit de volgende plaatsen gaven dit antwoord: Paal (K 357), Neerpelt (L 312), Overpelt (L 314), Kaulille (L 316), Neeroeteren (L 368), Maaseik (L 372), Opoeteren (L 415), Meldert (P 45), Duras (P 115), Ulbeek (P 121), Hoepertingen (P 188), Waasmont (P 211), Veldwezelt (Q 91), ɛs-Herenelderen (Q 168). De metalen onderdelen voor de kar- en wagenwielen, zoals de wielbanden en de asbus werden vaak door de lokale smid geleverd. Hij voerde daar ook reparaties aan uit. Dit laatste was volgens informatie van de zegslieden het geval in Heppen (K 316), Beringen (K 358), Neerpelt (L 312), Bocholt (L 317), Gruitrode (L 366), Neerglabbeek (L 367), Ulbeek (P 121), Sint-Truiden (P 176), Hasselt (Q 2), Genk (Q 3) en Neerharen (Q 96c). Zie verder ook de paragraaf over de vaktaal van de karsmid in wld II.11, pag. 128-139.' [N G, 1b; N G, 2; L 34, 18; monogr.]
II-12
|
| 18167 |
rafel |
rafel:
B.v. aan de jas.
reifel (L270p Tegelen)
|
rafel
III-1-3
|
| 18168 |
rafelen |
refelen:
ręjfǝlǝ (L270p Tegelen),
uitrafelen:
B.v. Miene jas begint aan de moewe óet te reifele. [´ : sleeptoon]
óetreifele (L270p Tegelen)
|
uit elkaar rafelen, uitrafelen || Uitvezelen van stof. [N 59, 188; N 62, 45a; MW; S 29; monogr.]
II-7, III-1-3
|
| 19576 |
ragebol |
spinnenjager:
sjpinnejäger (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
spinne-jaeger (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
sjpinnejaeger (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
sjpinnejaeger (L270p Tegelen)
|
bezem (met lange steel); inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || ragebol, bolvormige borstel waarmee spinnewebben worden verwijderd [N 26 (1964)]
III-2-1
|
| 29763 |
rakelen |
rakelen:
rǭkǝlǝ (L270p Tegelen)
|
De kolen in de oven los maken of uit de oven verwijderen met behulp van het rakelijzer. [N 98, 123; monogr.]
II-8
|
| 29548 |
rakelijzer |
duivelsbanner:
dȳvǝls˱bɛndǝr (L270p Tegelen),
rakelijzer:
rǭkǝlī̄zǝr (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
roosterstaaf:
rȳstǝrstāf (L270p Tegelen),
rȳstǝrštāf (L270p Tegelen)
|
Een doorgaans ijzeren voorwerp waarmee de kolen in de oven los gemaakt of uit de oven verwijderd werden. Zie ook afb. 13. [N 98, 122; monogr.] || IJzer met gebogen uiteinde om het vuur op te rakelen en om de brandstof goed te verdelen. Zie ook afb. 13. [N 49, 66c; N 49, 82b]
II-8
|