| 18693 |
pullover |
pullover:
pullover (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
vest:
ves (L270p Tegelen)
|
pullover truivest met mouwen zonder knopen [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 32879 |
punt van het blad van de zeis |
punt:
pønt (L270p Tegelen),
spits:
špets (L270p Tegelen)
|
De scherpe punt aan het blad van de zeis, aan het uiteinde tegenover de arend en de hak. Zie afbeelding 5, nummer 3. [N 18, 68c; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
I-3
|
| 29959 |
punthamertje |
tegelhamertje:
tēgǝlhē̜mǝrkǝ (L270p Tegelen)
|
Hamertje waarmee men gaatjes in een tegel kan slaan. De kop van het hamertje heeft daartoe doorgaans een kegelvormig, spits toelopend uiteinde. In Q 98 werd voor het maken van gaatjes in een tegel een 'boortje' ('bø̄rkǝ') gebruikt. [N 32, 42c]
II-9
|
| 30086 |
put |
buik:
bū.k (L270p Tegelen),
zak:
zak (L270p Tegelen)
|
Terugwijkend gedeelte van het metselwerk van een muur. [N 31, 47a]
II-9
|
| 18610 |
pyjama |
pyjama {pijama}:
pyama (L270p Tegelen)
|
pyjama, tweedelig nachtkostuum [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 23766 |
quatertemperdag |
vastendag:
vastedaag (L270p Tegelen)
|
De R.K. vastendag op de eerste woensdag, vrijdag en zaterdag van elk jaargetijde, quatertemperdag. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 22726 |
raadsel(tje) |
raadsel(tje):
raodsel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
raotsel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
reu.dselke (L270p Tegelen),
reutselke (L270p Tegelen),
roadsel (L270p Tegelen),
räödselke (L270p Tegelen),
rèùdselke (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
rèùtselke (L270p Tegelen)
|
raadsel [N 07 (1961)] || raadseltje [N 07 (1961)]
III-3-2
|
| 24228 |
raaf |
raaf:
mv.
rave (L270p Tegelen)
|
raaf
III-4-1
|
| 27904 |
raam |
venster:
venstǝr (L270p Tegelen)
|
Zie kaart. Een van glas voorziene opening waardoor het buitenlicht naar binnen valt. In het onderzoeksgebied worden de woorden 'venster' en 'raam' ook wel gebruikt voor de houten of metalen omlijsting waarin de vensterruit wordt geplaatst. In het Standaardnederlands zijn de woorden 'raam', 'venster' en 'glas' onzijdig, in de meeste Limburgse dialecten echter vrouwelijk. Wanneer door de invullers nadrukkelijk een vrouwelijk genus werd opgegeven, is achter de betreffende plaatscode een (+) opgenomen. [N 55, 37; RND 49; A 46, 10a; L mon.; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 33452 |
raampje in een poort |
kijkgat:
kik˲gāt (L270p Tegelen),
kijkraampje:
kikrē̜ ̞mkǝ (L270p Tegelen)
|
Een raampje in een poort, soms ook een luikje, om door te kunnen kijken, ook wel ter beluchting, al dan niet beglaasd. De opgaven die duidelijk op een deur wijzen, zijn overgeplaatst naar het lemma "deurtje in een poortvleugel" (4.1.10). [N 5A, 54b]
I-6
|