| 22310 |
proppenschieter |
klapbus:
klabbes (L270p Tegelen),
knalbuks:
knalbuks (L270p Tegelen),
knalbus:
knalbös (L270p Tegelen),
knapbus:
knaapbös (L270p Tegelen),
t Merg werd er uit gepeuterd; van hardhout werd een daarin passend stokje gemaakt, en met behulp hiervan werd dan n tot prop gekauwd papier weggeschoten.
knaapbös (L270p Tegelen),
knaptoet:
knaptoe.t (L270p Tegelen),
knaptōēt (L270p Tegelen),
proppenbuks:
proppebuks (L270p Tegelen),
proppenschieter:
proppesjeeter (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
próppesjeeter (L270p Tegelen),
Sub knaapbös: Van n vliertak gemaakt speelgoed. t Merg werd er uit gepeuterd; van hardhout werd een daarin passend stokje gemaakt, en met behulp hiervan werd dan n tot prop gekauwd papier weggeschoten. Vero. Moderne naam: proppeschieter (proppesjeeter).
proppesjeeter (L270p Tegelen)
|
Klakkebus (speelgoed gemaakt van vlierehout om proppen mee weg te schieten) [knaptoet, kraaktuut, proppesjeeter, klambös]. [N 06 (1960)] || Proppenschieter. [BN 03] || Proppeschieter. || Van n vliertak gemaakt speelgoed.
III-3-2
|
| 19676 |
provisiekast, etenskast |
keukenkast:
kø̄kəkas (L270p Tegelen),
provisiekast:
provisikas (L270p Tegelen)
|
voorraad- of provisiekast [N 05A (1964)]
III-2-1
|
| 20911 |
pruim |
pruim:
proeme (pl) (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
reine claude (fr.):
ringelao’te (L270p Tegelen),
groene, reine claude
ringelao’te (L270p Tegelen)
|
pruim, soort
I-7
|
| 20568 |
pruimen |
pruimen:
prōēmə (L270p Tegelen)
|
pruimen; Hoe noemt U: Tabak kauwen (pruimen, sikken, sjikken) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 18926 |
prutsen |
broddelen:
brôddele (L270p Tegelen),
fisternllen (rh.):
Cf. RhWb (II), kol. 500, s.v. "fister-nöllen""tadelnd, in geschäftigem Müssiggange sich mit allerhand unnützen Kleinigkeiten zu tun machen
fiesternölle (L270p Tegelen),
foddelen:
fôddelig = voddig
fôd’dele (L270p Tegelen),
hampelen:
ham’pele (L270p Tegelen),
toddelen:
tôd’dele (L270p Tegelen)
|
knoeiwerk maken, prutsen || onhandig en stuntelig te werk gaan, prutsen || prutsen, knoeierig werken || prutsen, onhandig en onvakkundig werken || prutsen, onvakkundig werk maken
III-1-4
|
| 18908 |
prutser |
doderik:
dou’derik (L270p Tegelen),
hampelmann (du.):
ham’pelemán (L270p Tegelen),
knommelaar:
knôm’melaer (L270p Tegelen),
knommelzak:
knômmelzak (L270p Tegelen),
knungel:
knun’gel (L270p Tegelen),
knungelaar:
knun’gelaer (L270p Tegelen)
|
iemand die met zijn werk niet uit de voeten kan; prutser || lomp, onhandig persoon || prutser, iemand die niet vakkundig zijn werk doet, of iets doet dat niets om het lijf heeft; niet opschieten met zijn werk || sukkel, onhandig en niet al te snugger persoon
III-1-4
|
| 18930 |
prutswerk |
klommel:
klôm’mel (L270p Tegelen)
|
prul, lor, prutswerk
III-1-4
|
| 20578 |
pruttelen |
lurken:
lörkə (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt U: Snurkende geluiden maken, gezegd van een pijp (smierken, lurken) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20651 |
pudding |
podding:
Syst. Veldeke Thans algemeen pudding
bodding (L270p Tegelen),
thans pödding
bod’ding (L270p Tegelen),
pudding:
Syst. Veldeke
pudding (L270p Tegelen),
Syst. WBD
pudding (L270p Tegelen),
pèùdding (L270p Tegelen),
pödding (L270p Tegelen)
|
pudding || Pudding (bodding, podding?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18110 |
puistjes |
brobbels:
broebels (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
bultjes:
bultjes (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
bôltjes (L270p Tegelen),
bö.ltjes (L270p Tegelen),
puistjes:
puistjes (L270p Tegelen),
puuskes (L270p Tegelen),
vetwormpjes:
vetwurmkes (L270p Tegelen)
|
puistjes [bultjes, botsels, brobbels] [N 10 (1961)]
III-1-2
|