| 22862 |
prijzen (mv.) |
prijzen:
pri:zə (L270p Tegelen)
|
prijzen (mv.) [RND]
III-3-2
|
| 33740 |
prikkeldraad |
pindraad:
pendrǭt (L270p Tegelen),
puntdraad:
pøndrǭt (L270p Tegelen),
pøntdrǭt (L270p Tegelen)
|
Twee- of driedraads gevlochten ijzerdraad van scherpe punten voorzien waarmee men een weide of een stuk grond afspant. [N M, 6b; N M, 6a; L 40, 73; JG 1b; L 32, 45 add.; Vld.; Gwn 16, 11; A 25, 4f; A 25, 8 add.; monogr.]
I-8
|
| 22356 |
priktol |
dop:
dob (L270p Tegelen),
dop (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
ruitenflitser:
[Met afbeelding].
roetefletser (L270p Tegelen)
|
Platkoppige tol, waarvan gezegd werd, dat men er met het tollen ruiten mee kon stuk gooien. || Speeltol. [BN 03] || Tol (speelgoed).
III-3-2
|
| 18927 |
proberen |
proberen:
probeere (L270p Tegelen)
|
proberen: Als hij kans ziet zal hij - je te bedriegen [DC 35 (1963)]
III-1-4
|
| 23243 |
processie |
processie (<lat.):
processie (L270p Tegelen)
|
De processie [bronk, persessie, protsessioën]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23852 |
processie door het veld |
bedeweg:
beejwèèg (L270p Tegelen)
|
Een processie door het veld, bedeweg, bidweg. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23857 |
processiepaaltjes |
processiepaaltje met vaantje:
?
processiepaolke mèt vèènke (L270p Tegelen)
|
De paaltjes die de route aangeven waarlangs de processie trekt [bronkpäöl]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23858 |
processiestrooisel |
strooisel:
sjtreusel (L270p Tegelen)
|
Strooisel bestaande uit bloemen, stukgesneden stengels en bladeren en stroopsel van varens waarmee de straten versierd worden [sjtreupsel]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23861 |
processievaantjes |
processievaantjes:
processievèènkes (L270p Tegelen)
|
De vaandeltjes die in de processiestoet worden meegedragen [persessieveendelkes]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 29560 |
proefstuk |
kijkstuk:
kijkstuk (L270p Tegelen),
proefpotje:
proefpotje (L270p Tegelen)
|
Pot, schotel, scherf etc. die in de pottenbakkersoven achter de kijkgaten los is opgesteld om na te gaan of de oveninhoud gaar is. Om de temperatuur te controleren gebruikt men ook wel de zgn. Seger kegels Deze kegeltjes, 5 cm hoog met een grondplan van 1 cm2, bestaan doorgaans uit verschillende kleisoorten en smelten bij bepaalde temperaturen. [N 49, 80a]
II-8
|