| 25421 |
pezen blootleggen |
pezen uithalen:
pē̜zǝ ūthǭlǝ (L270p Tegelen)
|
Men maakt een snede achter de achillespees, waardoor deze bloot komt te liggen. Door het door de snede ontstane gat steekt men meestal een balkje, vaak voorzien van inkepingen. waarin dan de pezen worden geschoven, zodat deze niet weg kunnen schuiven. Zo wordt voorkomen dat het dier "dichtklapt". [N 28, 62; monogr.]
II-1
|
| 21734 |
pezerik |
pezerik:
pēzǝrek (L270p Tegelen),
pēzǝrǝk (L270p Tegelen)
|
De uitgesneden roede of zaadstreng van een mannelijk varken na het slachten. Veelal gebruikt men deze zaadstreng om er de zaag of schaaf mee in te smeren. Ook werkschoenen vet men ermee in. ''s Winters wordt hij als voer aan de vogels, vooral de mezen, gegeven, soms ook met de bedoeling om de vogels te vangen. [N 28, 71; N 28, 72; monogr.] || De uitgesneden roede van het varken die gebruikt wordt om het zaagblad te smeren, bijvoorbeeld wanneer door nat hout gezaagd moet worden. Zie ook afb. 28. [N 50, 39b; N 53, 27; monogr.]
II-1, II-12
|
| 24224 |
piepen |
piepen:
pīpǝ (L270p Tegelen)
|
Geluid voortbrengen, gezegd van een jonge kip. [N 19, 48; monogr.]
I-12
|
| 22424 |
pijl |
pijl:
piél (L270p Tegelen)
|
Pijl.
III-3-2
|
| 30118 |
pijl van een boog |
toog:
tuǝx (L270p Tegelen)
|
De hoogte van een gemetselde boog, gemeten tussen de denkbeeldige lijn van de spanning en de kruin. Meestal neemt men voor de pijl 1/5 tot 1/10 gedeelte van de overspanning. Het bepalen van de hoogte van de pijl noemde men in Q 121: 'sprong geven' ('šproŋk jęǝvǝ'). [N 32, 17d; monogr.]
II-9
|
| 17991 |
pijn |
pijn:
pi.n (L270p Tegelen),
pi:n (L270p Tegelen),
pīn (L270p Tegelen),
wee:
wieë (L270p Tegelen)
|
mijn voeten doen mij erg zeer [DC 03 (1934)] || pijn [RND]
III-1-2
|
| 17992 |
pijnscheut |
de milt steekt:
[specifieker, nl. gevolg van hardlopen (cfr. vraagstelling), rk]
de milt sjtikt mich (L270p Tegelen)
|
Een steek in de zij? ( is vaak het gevolg van hardlopen) [DC 60 (1985)]
III-1-2
|
| 20799 |
pijp |
mots:
moets (L270p Tegelen)
|
korte aarden pijp
III-2-3
|
| 29430 |
pijpaarde |
pijpaarde:
pijpaarde (L270p Tegelen
[(zachte witte kleisoort)]
),
pijpenaarde:
pī̄pǝ-ē̜rt (L270p Tegelen)
|
Oorspronkelijk een kleisoort die werd gebruikt bij de vervaardiging van pijpen; later ook gebruikelijk bij de fabricage van aardewerk, zoals blijkt uit de opmerking van de invuller uit L 270 die vermeldt dat het woordtype pijpenaarde een geelbakkende klei aanduidde, die werd gebruikt om te ringeloren. [N 49, 1b; monogr.]
II-8
|
| 33800 |
pijpbeen |
beenpijp:
bęi̯npiǝp (L270p Tegelen),
pijp:
piǝp (L270p Tegelen)
|
Het gedeelte van het voorbeen van het paard tussen de knieschijf en de koot tot aan de kogel. Het ondereinde van het pijpbeen vormt het kootbeen. Zie afbeelding 2.23. [JG, 1b; N 8, 32.1, 32.3, 32.6, 32.11, 32.14, 32.15 en 32.16]
I-9
|