| 20581 |
ontbijt |
koffie, de -:
kôf’fie (L270p Tegelen),
landbouwers eten ook nog om 5 uur
koffie (L270p Tegelen),
koffiedrinken, het -:
koffiedrinken (L270p Tegelen),
kôf’fiedrinke (L270p Tegelen),
morgeneten:
morgeèten (L270p Tegelen),
morgenskoffie, de -:
mor’ges-kôffie (L270p Tegelen)
|
namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 5 uur [ZND 18G (1935)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 7 uur 30 [ZND 18G (1935)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 8 uur [ZND 18G (1935)] || ontbijt || ontbijten
III-2-3
|
| 20814 |
ontbijtkoek, peperkoek |
peperkoek:
paeperkook (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
peperkoek [N 29 (1967)]
III-2-3
|
| 33719 |
ontbost terrein met een schop omwerken |
nagraven:
nǭgrāvǝ (L270p Tegelen)
|
Het ontboste terrein met een schop omwerken om de achtergebleven wortels te verwijderen. [N 27, 10a]
I-8
|
| 33711 |
ontginnen |
ontginnen:
ontgenǝ (L270p Tegelen)
|
Het in cultuur brengen van woeste grond. [N 27, 5; N 11a, 112; monogr.]
I-8
|
| 32638 |
ontginningsploeg |
ontginningsploeg:
ont˲geneŋs[ploeg] (L270p Tegelen)
|
De ploeg die men gebruikt voor het in cultuur brengen van woeste grond, zoals bos, heide, enz. Het ontginningswerk werd verricht met de ploeg in L 159a, 320a, 360, P 48, 51, 107a, 108, 175, 178, 222, Q 11, 28, 77, 94b, 162, 156, 170. Blijkbaar was dat geen aparte, maar de gewone, vanouds "ploeg" geheten, enkele ploeg, die men op dit werk kon inrichten. Voor het in cultuur brengen van bos- en heidegrond gebruikte men: de brabander in L 290a, 321a, P 44, 48, 49, Q 39 of brabantse ploeg in L 331; in L 248 een zware brabantse ploeg (vroeger) en de Melotteploeg (later); de enkele ploeg in Q 7, 80; de aanschietploeg in Q 80; de dobbele ploeg in Q 80; de franse ploeg in Q 79a, 80; de wentelploeg in K 358, L 372a; een (oude) Sack''s of Sack''s(e)ploeg in L 163, 165 of Sack''sische ploeg in L 246 en in Q 22 de tweevoorder. Aan het ontginningswerk kwam in Q 14 de cultivator te pas, in Q 22 en 247 de extirpator, in P 45 de rus en in Q 180 de frees. [N 11, 30 + 32c add.; N 11A, 81; N 27, 15]
I-1
|
| 23941 |
onthoudingsdag |
onthoudingsdag:
onthoudingsdaag (L270p Tegelen)
|
Een onthoudingsdag: dag waarop men geen vlees, spek en jus uit vlees mag gebruiken. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 17706 |
ontlasting hebben |
afgaan:
aafgaon (L270p Tegelen),
naar het huisje gaan:
na t hŭske gaon (L270p Tegelen),
nao t hüske gaon (L270p Tegelen),
poepen:
Kinderlijk.
poepe (L270p Tegelen),
schijten:
Grof.
sjiete (L270p Tegelen)
|
ontlasting hebben [afgon, leutere, driete, zijn gevoeg doen] [N 10c (1961)], [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 33002 |
ontsmettingsmiddel |
ontsmettingsmiddel:
ōntšmɛteŋsmedǝl (L270p Tegelen)
|
Het middel, de vloeistof die gebruikt wordt bij het ontsmetten van zaaigraan. Zie ook de toelichting bij het vorige lemma. [N M, 24b]
I-4
|
| 17927 |
onvast ter been (zijn) |
onvast:
onvast (L270p Tegelen),
schravelig:
schravelig (L270p Tegelen),
zwak op de benen:
zwaak op de bein (L270p Tegelen)
|
lopen: onvast ter been [sporrig] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 28651 |
onverzegelde honing |
onrijpe honing:
onrīpǝ hōneŋ (L270p Tegelen)
|
Honing uit een niet verzegelde raat. [N 63, 114b; N 63, 114a; monogr.]
II-6
|