| 32805 |
onkruid uiteggen, ondiep geploegd (stoppel) |
drek [eggen]:
[drek] [eggen] (L270p Tegelen)
|
Het land bewerken met de onkruideg of de scherp aangespannen gewone eg, om de wortels van onkruid (kweekgras met name) op te halen, stoppels los te woelen en het land geschikt te maken, om bemest en vervolgens geploegd te worden. Dat men onkruid e.d. ook met de cultivater kan losmaken, blijkt uit termen als (af)russen en (uit)schulpen (vergelijk het lemma ''cultivateren''). Voor de dialectvarianten van de benamingen voor onkruid en kweekgras zij verwezen naar de betrokken lemmata in de volgende aflevering van I.1. Voor wat ''eggen'' en ''eggen'' betreft zie men de toelichting bij het lemma ''eggen''. [JG 1a + 1b; N 11, 80a; N 11A, 172d + e; N P, 15a add.; monogr.]
I-2
|
| 33291 |
onkruid, algemeen |
bocht:
box (L270p Tegelen),
drek:
drɛk (L270p Tegelen),
onkruid:
onkrūt (L270p Tegelen),
ontuig:
onty.x (L270p Tegelen),
puinen:
puinen (L270p Tegelen)
|
De verzamelnaam van in het wild groeiende planten, tussen de cultuurgewassen; ze belemmeren de cultuurgewassen in hun groei en de boer zal ze dan ook bestrijden. Naar aanleiding van de opgave nuttigheid in L 387 merkt de zegsman op: "Nut is hier ɛvuil, viesɛ"; waarschijnlijker dan deze volksetymologie is echter dat het voorvoegsel on- hier is uitgevallen. Puinen, puimen is eigenlijk de soortnaam van een afzonderlijke plant (zie het lemma Kweek) maar hier uitdrukkelijk opgegeven als de algemene benaming voor alle soorten onkruid. Hetzelfde geldt voor de opgaven reutsel (zie het lemma Perzikkruid). De varianten op -ds zoals vuiligheids vertonen pseudo-klankverschuiving. [N 11, 70a en 80a; N 11A, 172d; N 14, 123 en 124; N 17, 11; N P, 15b en 16b; JG 1a, 1b; A 17, 11; A 26, 9; A 28, 10; A 30, 2; A 39, 1b; A 43, 13; L 2, 18; S 26; Wi 6; monogr.]
I-5
|
| 32778 |
onkruideg, stoppeleg |
puin[eg]:
pø̜i̯n[eg] (L270p Tegelen),
puinen[eg]:
pø̜i̯nǝ[eg] (L270p Tegelen
[(de tanden staan schuiner dan bij de steekeg)]
),
steek:
štēk (L270p Tegelen
[(driehoekig, vroeger)]
),
steek[eg]:
štē̜k˱[eg] (L270p Tegelen
[(driehoekig, vroeger)]
),
stoppel[eg]:
štǫpǝl[eg] (L270p Tegelen)
|
De onkruideg is een eg waarmee men onkruid en wortels van met name kweekgras uit de akker opegde. Met deze eg bewerkte men ook ondiep geploegd stoppelland. Ze werd verder nog gebruikt om het land vlak te trekken en om een akker die geploegd moest worden, voor te bewerken. Men maakte vooral bij deze eg gebruik van de egketting. Door deze verder naar achteren op de eg vast te maken, kon men de tanden van de eg dieper door de grond laten gaan. De onkruideg was vroeger vaak een drie- of vierhoekige houten eg met schuin naar voren gerichte tanden. Wat de vorm betreft, leek ze op de zaadeg, maar ze had minder en tevens langere tanden, die dieper door de grond gingen en waaraan het onkruid minder bleef vastzitten. Als men maar één eg had of gezien de grondsoort ter plaatse dezelfde eg voor meerdere doeleinden kon gebruiken, spande men de eg "scherp" aan, wanneer bij de bestrijding van onkruid e.d. diep geëgd moest worden. Egbenamingen naar de stand van de tanden hoeven dus niet een andere eg te betreffen dan die welke men - maar dan "bot" aangespannen - bij het ineggen van zaad gebruikte. Bijzonderheden omtrent de vorm (‚àÜ, vierkant, –î), het materiaal en het aantal tanden van de onkruideg zijn, voorzover die werden opgegeven, achter de betrokken plaatsnummers vermeld. Aan het einde van het lemma staan enige termen die duiden op de vorm van de onkruideg of het materiaal waaruit deze vervaardigd was, en andere die een moderner egtype betreffen, dat men later is gaan gebruiken voor de bestrijding van onkruid e.d. Voor dialectvarianten in de (...)-vorm zij verwezen naar de betrokken lemmata in de omgeving. Wat met ''eg'' en ''eg'' bedoeld wordt, is aangegeven in de toelichting bij het lemma ''eg''.' [JG 1a + 1b + 1c + 2c; N 11, 70 + 72; N 11A, 160 + 169g; N J, 10 add.; N P, 15 + 16 add.; A 13, 16b; div.; monogr.]
I-2
|
| 20452 |
onkuis |
onrein:
onrein (L270p Tegelen)
|
onkuis, onzuiver, ontuchtig [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 23974 |
onkuisaard |
vieze, een ~:
fieze (L270p Tegelen)
|
Onkuisaard, viezerik op sexueel gebied [smeerlap, vieze beest, vieze fannie]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23973 |
onkuisheid |
onkuisheid:
onkuisheid (L270p Tegelen)
|
Onkuisheid, onzuiverheid, ontuchtigheid [beesterij, zwijnerij]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 19267 |
onnozel persoon |
stomme achterover:
sjtômmen achtereuver (L270p Tegelen),
zebedeus:
subedei’jes (L270p Tegelen)
|
onnozele hals || stommerik, ezelskop
III-1-4
|
| 22316 |
onnozele-kinderendag |
allerkinderen:
alderkingere (L270p Tegelen),
onnozele-kinderen:
onneuizele kinger (L270p Tegelen),
onneuzele kinger (L270p Tegelen),
onnozele kinger (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
onnuizele kinger (L270p Tegelen),
ònneuzele kinger (L270p Tegelen),
óneuzele kinger (L270p Tegelen),
ônneuzele kinger (L270p Tegelen)
|
28 december, herinneringsdag van de kindermoord in Bethlehem, Onnozele Kinderen [Onnüezele Kinger, Allerkinderdag, der Kinderdag]. [N 96C (1989)] || Onnozole kinderen [allerkindere]. [N 06 (1960)]
III-3-2
|
| 28496 |
onrustig zijn door moerloosheid |
huilen:
hȳlǝ (L270p Tegelen)
|
Onrustig of neerslachtig worden van de bijen ten gevolge van moerloosheid. Een volk dat pas moerloos is geworden, is onrustig aan het zoeken; veel bijen lopen aan de voorzijde van de korf of kast. Wanneer de imker een flinke tik geeft tegen de buitenkant van korf of kast, laten de bijen een langgerekte, klaaglijke toon horen, het huilen der bijen. [N 63, 61a;]
II-6
|
| 25175 |
onstuimige lucht |
grauwe lucht:
’n grauw lôg (L270p Tegelen),
grillige lucht:
grèllige lóch (L270p Tegelen),
rouwe lucht:
’n rów lóch (L270p Tegelen),
wilde lucht:
wilde lŏg (L270p Tegelen),
wilde lôch (L270p Tegelen)
|
onstuimige, woest bewolkte lucht [grellig] [N 22 (1963)]
III-4-4
|