| 33829 |
onelegant paard |
(een) lompe:
lōmpǝ (L270p Tegelen),
loebas:
luu̯ǝbǝs (L270p Tegelen)
|
Lomp paard. [N 8, 20 en 62n]
I-9
|
| 25064 |
oneven, niet door twee deelbaar |
omp:
ômp (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
even of oneven || oneven, niet gelijk
III-4-4
|
| 25621 |
ongaar stuk deeg |
bank:
baŋk (L270p Tegelen),
ziel:
ziǝl (L270p Tegelen)
|
Ongaar stuk deeg in het gebakken brood. Vaak zit er een inzinking in het brood als gevolg van dat verschijnsel. Er is een aantal benamingen dat specifiek duidt op "ongaar stuk deeg", een ander aantal duidt op brood met een ongaar stuk deeg", een ander aantal duidt op brood met een ongaar stuk deeg erin, en een derde groep benamingen is bijvoeglijk van aard en zegt iets over de oorzaak van het ontstaan van zo''n ongaar stuk of zegt iets over de toestand van het brood, als een ongaar stuk deeg erin zit. [N 29, 68a; N 29, 68b; monogr.]
II-1
|
| 30020 |
ongebluste kalk |
ongebluste kalk:
ongǝbløs˱dǝ kalǝk (L270p Tegelen)
|
Gebrande kalk die nog niet met water is aangelengd. Schelpkalk, steenkalk en mergelkalk zijn verschillende soorten ongebluste kalk. Zie ook de toelichting bij deze lemmata. De term 'kluitkalk' wordt gebruikt voor Luikse kalk die als grondstof de Belgische hardsteen heeft (Zwiers I, pag. 591). [N 30, 29a; monogr.]
II-9
|
| 24360 |
ongedierte, algemeen |
ongesiefer:
óngesiefer (L270p Tegelen),
ôngesiever (L270p Tegelen),
ôn’gesiefer (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
ôngesiefer (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd) - is de verzamelnaam voor lastige, schadelijke diertjes (vlu?, luus, kakkerlakke, sjpinne, meele, roepse). Niemand zal "bi-jje", "levenhiersbiestjes"e.d. "?ngesiefer"willen noemen.
ôngesiefer (L270p Tegelen)
|
gedierte, klein ~ (verzamelnaam voor insecten, wormen, spinnen enz.) [gediert, ongediert, gewörmt, ongesiefer] [N 26 (1964)] || ongedierte || schadelijke en hinderlijke insecten [DC 55 (1980)]
III-4-2
|
| 20382 |
ongehuwd samenleven |
hokken:
hokke (L270p Tegelen),
huizeren:
in ongunstige zin
hoezee’re (L270p Tegelen)
|
een concubinaat, een buitenechtelijke samenleving van man en vrouw, gedurende enige tijd [N 96D (1989)] || ongeoorloofd samenleven
III-2-2
|
| 23246 |
ongelovige |
ongelovige:
ongeluuëvige (L270p Tegelen)
|
Een ongelovige, de ongelovigen. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 25565 |
ongeschikt |
niet gaan:
(het deeg) gęjt nēt (L270p Tegelen),
traag:
trǭx (L270p Tegelen)
|
Gezegd van deeg dat niet wil rijzen. In dit lemma komen verschillende grammaticale categorieën voor bij de woordtypen. [N 29, 29a; L 33, 25; monogr.]
II-1
|
| 23486 |
ongewijde aarde |
ongewijde aarde:
op de ongewiede aerd (L270p Tegelen),
ongewijde grond:
ongewiejde gronk (L270p Tegelen),
ongewiejde groonk (L270p Tegelen)
|
Het deel van het kerkhof dat vroeger diende als begraafplaats a) voor ongedoopt gestorven kinderen, b) evt. voor iemand die zelfmoord had gepleegd, c) evt. voor een gevonden maar niet geïdentificeerd lijk [ongewiejde èèrd, ...buiten de heg", verloren kerk [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 20539 |
onhandig snijden |
tegen de draad in:
taege də draod in (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt U: Op een onhandige manier in het vlees snijden (prossen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|