| 25498 |
onderkant van een peperkoek |
onderkant:
oŋǝrkaŋk (L270p Tegelen)
|
[N 29, 94b]
II-1
|
| 25492 |
onderkant van het brood |
onderkant:
oŋǝrkaŋk (L270p Tegelen)
|
[N 29, 54b; monogr.]
II-1
|
| 29059 |
onderkraag |
onderkraag:
oŋǝrkrāx (L270p Tegelen)
|
Het onderste gedeelte van de kraag dat niet in het zicht komt. Het materiaal voor de onderkraag is doorgaans dunne maar dichtgeweven stof. Traditioneel wordt hiervoor kleermakersvilt gebruikt (Het Beste Naaiboek, pag. 389). [N 59, 121b]
II-7
|
| 19395 |
onderkussen, peluw |
hoofdpulf:
høͅi̯tpøͅlf (L270p Tegelen),
pulf:
pøͅlf (L270p Tegelen)
|
hoofdpeluw || peluw
III-2-1
|
| 25509 |
onderoven |
onderoven:
oŋǝrǭvǝ (L270p Tegelen)
|
De ruimte beneden in de oven. Deze onder-oven heeft zowel in het bakhuis als in de bakkerij verschillende gebruiksmogelijkheden. De as wordt erin geborgen en eventueel wordt het hout erin gedroogd. Soms functioneert deze ruimte als rijsplaats voor het brood. Aardappelen kunnen erin bewaard worden evenals rapen, wortelen en bieten. Zelfs broedgrage hennen worden erin opgesloten (Weyns 68). De informant van Q 97 vermeldt nog de functie van "weegplaats voor fruit" voor deze onveroven, waarvan de informant uit L 269a zegt dat die zes vierkante meter groot is. Zie afb. 10. [N 29, 5a; N 29, 5b; monogr.]
II-1
|
| 32701 |
onderploegen |
onderbouwen:
oŋǝr[bouwen] (L270p Tegelen)
|
In dit lemma zijn de benamingen verzameld voor het onder de grond werken van mest bij het ploegen van de zaaivoor en voor het onder- of omploegen van een mislukt gewas of een gewas dat als mest moet dienen, voorzover dat niet gedaan wordt op de ondiepe wijze, bedoeld in het vorige lemma. Termen als akkeren, diep ploegen, diep bouwen en voorgoed omdoen, die niet op het onderploegen van mest als zodanig wijzen, maar op de manier van ploegen waarbij dit gebeurt, zijn opgenomen in het lemma zaaivoren ca. [JG 1a + 1b; JG 2c; N 11, 44; N P, 14]
I-1
|
| 18315 |
onderrok |
onderrok:
ongerrok (L270p Tegelen),
ôngerrok (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
onderrok (niet onderjurk) [sjort, onderschort, sjörket, zjuupke] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 32661 |
onderstaart |
steun van de slof:
štø̄n van dǝ šlof (L270p Tegelen)
|
De onderstaart is het achterste verbindingsstuk tussen de ploegboom en de onderbalk. Naar boven toe loopt de onderstaart uit in de ploegstaart. [N 11, 31.I.i; N 11A, 84f]
I-1
|
| 33941 |
onderstangen |
stangen:
štaŋǝ (L270p Tegelen)
|
De twee naar onder stekende ijzeren delen van een bit dat gebruikt wordt om meer druk op de bek van het paard te kunnen uitoefenen. [N 13, 48]
I-10
|
| 33438 |
onderste balken van de schelf |
balken:
balǝkǝ (L270p Tegelen),
bermhouter:
bɛrǝmhǫltǝr (L270p Tegelen)
|
De onderste balken van een schelf zijn ruwe, onbewerkte balken of boomstammetjes die op de gebintbalken rusten en naast elkaar gelegd de onderste laag van de schelf vormen. Zij zijn meestal rond. Zie ook het lemma "balken van de zolder boven de dorsvloer" (3.2.5). Zjidden is oorspronkelijk aan het Franse ''gîtes'' , dat in het volgend lemma in de term ''contre-gîtes'' voorkomt, ontleend, met herinterpretatie van de ''t'' tot een ''d'' vanuit het enkelvoud. Zie ook afbeelding 16.a bij het lemma "hooizolder, koestalzolder, schelf" (3.4.1).' [N 4, 68; N 4A, 13a; monogr.]
I-6
|