| 25496 |
onderbeschuit |
onderkant:
oŋǝrkaŋk (L270p Tegelen)
|
Er was gevraagd naar de "onderkant van de beschuit". Het kan echter zijn dat een enkel woordtype duidt op "beschuit die van het onderste gedeelte van de beschuitbol wordt gebakken". [N 29, 65b]
II-1
|
| 18584 |
onderbroek |
onderboks:
ôngerbôks (L270p Tegelen)
|
onderbroek
III-1-3
|
| 33450 |
onderdeur |
onderdeur:
oŋǝrdø̄r (L270p Tegelen),
ondervleugel:
oŋǝrvlø̄gǝl (L270p Tegelen)
|
Het onderste deel van een gehalveerde poortvleugel is meer voor dagelijks gebruik, bedoeld om toegang te verlenen aan voetgangers en kleine voertuigen (karretjes) en om, in gesloten stand, aan vee de doorgang te beletten. In plaats van een onderdeur kan ook een kleine hekdeur van latten gebruikt worden. Zie ook afbeelding 18.e bij het lemma "poort" (4.1.1). [N 4A, 37c en 42d; monogr.]
I-6
|
| 18401 |
ondergoed |
ondergoed:
ongergood (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
ôngergood (L270p Tegelen)
|
ondergoed, onderkleren [t onderdinge] [N 25 (1964)] || Onderkleding. Wat is in uw dialect het gewone woord voor onderkleding? [DC 62 (1987)]
III-1-3
|
| 32731 |
ondergronden, woelen |
ondergronden:
oŋǝrgrondǝ (L270p Tegelen),
oŋǝrgrøndǝ (L270p Tegelen)
|
Met een aparte ploeg of met een aan de gewone ploeg bevestigde schaar, klauw of haak de zool, harde laag of bank onder (in) de voor breken of openrakelen. [N 11, 46; N27, 13b]
I-1
|
| 32640 |
ondergronder, woeler |
ondergrondse ploeg:
oŋǝrgrontsǝ [ploeg] (L270p Tegelen),
oŋǝrgrøntsǝ [ploeg] (L270p Tegelen),
wroeter:
vrø̄tǝr (L270p Tegelen)
|
De ondergronder of woeler was een aparte ploeg zonder kouter en riester, maar met een lansvormige schaar of twee in tegenovergestelde richting geplaatste messen vóór op het ploeghoofd. Vaak werd de oude aanaardploeg tot ondergronder omgebouwd. Met deze ploeg, die vóór de gewone ploeg uitging of erop volgde, werd de ondergrond, de bodem van de voor opengebroken. Men kon ook met de gewone ploeg de ondergrond losrakelen, door op de plaats van de voorschaar of het kouter, dan wel aan of onder de ploeghiel een woelschaar, een woelhaak of woelmes aan te brengen. Aldus werd tegelijkertijd de bovengrond geploegd en de ploegzool opengebroken. [N 11, 33j; N 11A, 76a + 76b + 77; N 27, 14]
I-1
|
| 33947 |
onderhaam |
onderhaam:
ǫŋǝrhām (L270p Tegelen),
ophouder:
ǫphai̯ǝr (L270p Tegelen)
|
Twee met elkaar verbonden kussens die het paard onder het haam draagt, als dat te groot is. [N 13, 11; monogr.]
I-10
|
| 21579 |
onderhandelen |
doende zijn:
Opm. de oe (van "hoes") gerekt uitspreken.
hae is doonde mèt det hoes te koupe (L270p Tegelen),
in koop zijn:
in koup zien (L270p Tegelen),
in onderhandeling zijn:
in òngerhandeling (L270p Tegelen)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: in onderhandeling zijn over een bepaalde koop [in beding zijn met iemand?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 18257 |
onderhemd |
hemd:
hemp (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
Onderhemd voor mannen. Hoe noemt men in uw dialect het hemd dat onder de bovenkleding wordt gedragen, direct op het lichaam: van mannen? [DC 62 (1987)] || onderhemd, onderkledingstuk dat op het blote lijf gedragen wordt [im, emmek, hem, himp, kemsel, liejms, sjmies, vlok] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18313 |
onderjurk |
onderrok:
ôngerrok (L270p Tegelen)
|
onderjurk, onderkleed met lijfje en schouderbanden [N 24 (1964)]
III-1-3
|