| 18020 |
niezen |
niesten:
neeste (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
niezen:
neeze (L270p Tegelen)
|
niezen [niese, nieste] [N 10a (1961)]
III-1-2
|
| 18122 |
nijdnagel |
spleetnagel:
spleetnagel (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt men een los stukje vel aan de rand van de nagel van een vinger? (Nederl. nij(d)nagel, dwangnagel, stroopnagel). [DC 30 (1958)]
III-1-2
|
| 30857 |
nijptang |
nijptang:
nīptaŋ (L270p Tegelen)
|
In het algemeen een tang die vooral dient om spijkers uit te trekken en metaaldraad, spijkers, dun plaatmateriaal, e.d. af te knippen. Zie ook afb. 95 en het lemma ɛnijptangɛ in wld II.11, pag. 92-93. Het woordtype vlechttang is de benaming voor een nijptang die wordt gebruikt bij het verwerken van betonijzer. Deze tang heeft kleinere bekken en langere armen dan de nijptang. Zie ook het lemma ɛbetonijzerɛ in Wld II.9, pag. 47.' [N 53, 142a-c; N 53, 143; monogr.]
II-12
|
| 21643 |
nikkelgeld |
nikkelgeld:
niekelgeld (L270p Tegelen)
|
nikkelen of witmetalen geldstukken [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 20752 |
niknak |
niknak:
Syst. WBD
nik-nak (L270p Tegelen),
strouwplatsje:
Syst. Veldeke
sjtrouwpletskes (L270p Tegelen),
waterplatsje:
Syst. WBD
waterpletskes (L270p Tegelen)
|
Koekjes in de vorm van speelgoedfiguurtjes, voor kinderen (niknak?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20504 |
nippen |
nippen:
nippə (L270p Tegelen)
|
Hoe noemt U: Met kleine beetjes drinken (pisen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20401 |
noemen |
noemen:
neūme (L270p Tegelen),
nømə (L270p Tegelen),
met lengteteken Ø op de o
nömĕ (L270p Tegelen),
met v-tje ¨ op de u
nümme (L270p Tegelen)
|
noemen, een naam geven [DC 03 (1934)]
III-2-2
|
| 34478 |
nog in het ei zittend kipje |
kuiken:
kȳkǝ (L270p Tegelen),
kuikje:
kykskǝ (L270p Tegelen)
|
[N 19, 40a]
I-12
|
| 25560 |
nog niet uitgerezen deeg |
groen(e) deeg:
grø̄nǝn dęjx (L270p Tegelen),
nog niet rijp:
nax nēt riǝp (L270p Tegelen)
|
[N 29, 26a; monogr.]
II-1
|
| 30213 |
nok |
nok:
nǫk (L270p Tegelen),
vorst:
vǫrs (L270p Tegelen)
|
De bovenste liggende balk in het dakgebint waartegen de kepers rusten. De nokgording heeft doorgaans een doorsnede van 9,5 x 9,5 cm. Onder nok of vorst verstaat men ook dikwijls het hoogst gelegen gedeelte van een dak, de dakbedekking inbegrepen. Zie ook het lemma 'ruiter' en afb. 49j en 85. [S 41; N 32, 43d; N 54, 161; L 8, 66a; L 12, 9; L B1, 169; monogr.; div.; Vld.]
II-9
|