| 29589 |
nestkan |
nestkan:
nęskan (L270p Tegelen
[(soms met twee tuiten)]
),
nestpot:
nęspǫt (L270p Tegelen)
|
Aarden pot of pan waarin vogels zich kunnen nestelen. [N 49, 120a]
II-8
|
| 24218 |
nestverlater |
vlugge jong:
op punt van uitvliegen
vlögke-jônge (L270p Tegelen)
|
vogeltje
III-4-1
|
| 25594 |
netborstel |
netborstel:
nɛtsborstǝl (L270p Tegelen),
veger:
veger (L270p Tegelen)
|
Borstel, kwast of handveger die dient voor het bevochtigen van de bovenzijde van het deegbrood. Volgens informanten (in L 289b, L 318b en Q 18, Q 112b) gebeurt dit ook wel met de hand. [N 29, 40b; monogr.]
II-1
|
| 34104 |
netmaag |
muts:
møts (L270p Tegelen),
pens:
pɛns (L270p Tegelen)
|
De tweede maag van de koe, de langwerpige maag. [N 28, 81; A 9, 11b]
I-11
|
| 25595 |
netvloeistof |
water:
water (L270p Tegelen),
wieks:
wiks (L270p Tegelen)
|
Vloeistof die dient voor het bevochtigen van de bovenzijde van het deegbrood. In dit lemma zijn alleen de benamingen opgenomen die een vloeistof of vloeibare substantie aanduiden. Naast een vloeibaar middel gebruikt men ook wel eens een vast product blijkens de opgaven suiker (Q 121), ei (L 269, Q 117a), aardappelenmeel (K 278, L 383, Q 97), bloem (Q 95). Deze laatste benamingen zijn niet verder in dit lemma opgenomen. Daarnaast zijn er allerlei combinaties van een vloeistof met een andere vloeistof of een vast product mogelijk zoals: water waarin wat suiker of ge-klopt eiwit (L 427), meel en water (L 291, Q 35), aardappelmeel met water (L 292, 321, 330, Q 121e), koffie en melk (Q 12), geklopt ei met melk (L 432), witte bloem met water (L 377), eiwit en water (Q 18), zemelen en water (L 270). Deze combinaties zijn ook niet fonetisch gedocumenteerd. Uiteindelijk valt het lemma uiteen in twee groepen. De ene groep bevat algemene benamingen voor "netvloeistof", de tweede groep geeft de benamingen van een bepaald soort vloeistof of vloeibare substantie die als "netvloeistof" gebruikt wordt. [N 29, 40c; N 29, 40d; monogr.]
II-1
|
| 17609 |
neus (spotnamen) |
domper:
dòmper (L270p Tegelen),
fomp:
foemp (L270p Tegelen),
gevel:
geevel (L270p Tegelen),
gevel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
B.v. sjoene gevel vur t hoes sjteit fein.
gevel (L270p Tegelen),
gurk:
joerk (L270p Tegelen),
kokker:
kaoker (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
kuit:
kuit (L270p Tegelen),
mop:
möp (L270p Tegelen),
snotfokker:
snotfokker (L270p Tegelen),
snotharen:
sjnòthaore (L270p Tegelen),
snotkokker:
sjnotkò.ker (L270p Tegelen),
snotskokker:
sjnootskaoker (L270p Tegelen),
snottoet:
snottōēt (L270p Tegelen)
|
neus: spotbenamingen [snoet, snotkoker, fok, fokker, kokker, domphoren, gevel, foemp] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 18343 |
neus van een schoen |
snuit:
sjnòet (L270p Tegelen),
sjnóet (L270p Tegelen),
šnoet (L270p Tegelen)
|
neus van een schoen [snoet, tip, veusjte, teut] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 17614 |
neusgaten |
neusgaten:
naasgaater (L270p Tegelen),
naasgaten (L270p Tegelen),
naasgater (L270p Tegelen),
neusgaate (L270p Tegelen)
|
neus: neusgaten [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 34222 |
neusklem |
ring:
reŋk (L270p Tegelen),
scheer:
šīǝr (L270p Tegelen)
|
Klem in de neus van een stier. [N 3A, 14d]
I-11
|
| 33930 |
neusriem |
naasriem:
nāsrēm (L270p Tegelen)
|
Leren riempje van het hoofdstel dat over de neus van het paard loopt. [N 13, 23]
I-10
|