| 20282 |
navelbandje |
nagelbandje:
nagelbendje (L270p Tegelen)
|
navelbandje [nagelbendje] [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 20361 |
neef |
neef:
nèf (L270p Tegelen),
neen
naif (L270p Tegelen)
|
neef; Bestaan er verschillende woorden voor de verschillende soorten van neven (kinderen van ooms en tantes, kinderen van broers en zusters, achterneven?) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 29713 |
neerslaan |
omkippen:
ømkipǝ (L270p Tegelen)
|
De vormbakken op de droogplaats omkeren, zodat de vormelingen met de afgestreken zijde op de bezande bodem komen te liggen. In L 381 noemde men een rij van een bepaalde lengte, ongeveer twaalf omgekeerde vormen, een slag (ēlāx) - Donkers, pag. 62. [N 98, 96; monogr.]
II-8
|
| 29726 |
neerslager |
afdrager:
āf˱drē̜.gǝr (L270p Tegelen)
|
Arbeider die de gevulde vormbakken omkeerde op de droogplaats. [N 98, 97; monogr.]
II-8
|
| 24347 |
neet, luizenei |
neet:
neet (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
neet (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd) neéte
n neét (L270p Tegelen)
|
neet, luizenei [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 30233 |
negblokken |
sierblokken:
sīrblø̜k (L270p Tegelen)
|
Bergstenen blokken die in het metselwerk worden aangebracht ter verlevendiging van venster- en ingangsneggen. Zie ook afb. 52. Volgens de invuller uit Q 121c konden de negblokken uit mergel, kunststeen of hardsteen vervaardigd zijn. [N 32, 12a]
II-9
|
| 24042 |
neomist |
pas gewijde priester:
pas gewijde priester (L270p Tegelen)
|
Een pas gewijde priester, Neomist. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 32853 |
nerf van de weide |
groes:
grōs (L270p Tegelen),
ros:
rǫs (L270p Tegelen)
|
Begroeide bovenlaag van wei- of hooiland; grasmat, graslaag. Zie ook de lemma''s ''nerf van de akker'' en ''groes'', ''met gras begroeide grond'' in de aflevering over de Landerijen. Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) ''gras'' het lemma ''gras''. [N 14, 51; N 18, 12 add.; monogr.]
I-3
|
| 24215 |
nest |
bocht:
bôch (L270p Tegelen),
mussenbocht:
mössenbóch (L270p Tegelen)
|
nest [N 14 (1962)] || vogelnestje
III-4-1
|
| 24216 |
nestelen |
bochten:
bôch’te (L270p Tegelen),
tobben:
tob’be (L270p Tegelen)
|
nestelen, nest bouwen
III-4-1
|