| 18418 |
muts: algemeen |
muts:
muts (L270p Tegelen),
mø.ts (L270p Tegelen)
|
muts, hoofddeksel zonder klep of stijve rand [klots, koetsj, pars] [N 25 (1964)] || pet, muts, klak [RND]
III-1-3
|
| 33627 |
mutsaard, houtmijt |
bermhout:
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
bermhout (L270p Tegelen),
schans:
aan ZND 01 is hier toegevoed het materiaal van ZND 31 (1939), 019
sjans (L270p Tegelen),
schansenberm:
sjansemberm (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
houtmijt, stapel takkebossen [N 05A (1964)] || houtmijt, stapel takkenbossen [N 27 (1965)]
I-7
|
| 30091 |
muur |
muur:
mu.r (L270p Tegelen),
mū.r (L270p Tegelen)
|
Uit diverse materialen, bijvoorbeeld baksteen of beton, opgetrokken bouwwerk ter afscheiding of ter ondersteuning. In dit en de volgende lemmata wordt onder een 'muur' vooral een uit bakstenen samengestelde afscheiding verstaan. Het woord 'wand' wordt in het onderzoeksgebied meestal gebruikt voor een uit verticale en horizontale balken samengestelde muur die vervolgens met vlechtwerk of metselwerk wordt opgevuld. Zie ook de paragraaf over het vak- en vlechtwerk. Worden in een gebouw een of meer kelders aangebracht, dan worden de muren die de kelder omsluiten geheel van harde metselsteen en waterdichte mortel opgetrokken. Een muur die boven de grond wordt opgemetseld, noemt men een 'opgaande muur'. Bij de muren van gebouwen onderscheidt men buiten- en binnenmuren en de voor-, zij- en achtergevel, de muren die respectievelijk de voorzijde, de zijkant en de achterzijde van het bouwwerk vormen. [N 31, 32a; S 25; L 1 a-m; L 6, 41b; L 12, 5; monogr.; Vld]
II-9
|
| 24506 |
muurbloem |
golden laken:
cheiranthus cheiri; welriekend, goudgeel of oranje
golde la’kes (L270p Tegelen),
welriekende goudgele of oranje muurbloem
golde laɛkes (L270p Tegelen),
stinkviool:
ook wel golde lakes
sjtink’vioële (L270p Tegelen),
welriekende goudgele tuinbloem
sjtinkɛfioële (L270p Tegelen)
|
muurbloem
III-4-3
|
| 30264 |
muurblokken |
deurklotsen:
dø̄rklø̜ts (L270p Tegelen),
raamklotsen:
rāmklø̜ts (L270p Tegelen)
|
Vierkante houten blokjes die men in de muur metselt, om er later de dagstukken van de deur op vast te maken. Volgens de invuller uit L 210 werden muurblokken in het noorden van Nederlands Limburg niet toegepast. [N 32, 11c; N 55, 19b; monogr.]
II-9
|
| 30231 |
muurdam, penant |
penant:
pǝnant (L270p Tegelen),
pilaar:
pilē̜r (L270p Tegelen),
tussenstuk:
tø̜sǝštø̜k (L270p Tegelen)
|
Betrekkelijk smal stuk muur tussen twee vensters of tussen een venster en een andere muur. [N 55, 75; N 32, 12b; N 32, 14; monogr.]
II-9
|
| 23492 |
muurkapelletje |
muurkapelletje:
moerkepelke (L270p Tegelen),
nis met een beeldje:
nis met en beeldje (L270p Tegelen)
|
Een kastje of kleine nis, aangebracht tegen een muur en voorzien van een beeld of relikwie. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 30205 |
muurplaat |
muurplaat:
mūrplāt (L270p Tegelen)
|
Zie kaart. De plank of balk waarmee de buitenmuur aan de bovenzijde wordt afgedekt en waarop het dakgebint rust. Muurplaten worden met behulp van ankers aan de muur bevestigd. Zie ook afb. 49b. Zie voor het woorddeel -worm in het woordtype onderworm ook het lemma 'Gording'. [N 4A, 14g; N 54, 156; monogr.; div.]
II-9
|
| 30178 |
muurstijlen |
stijlen:
štīlǝ (L270p Tegelen)
|
De verticale balken van het vakwerk. Zie ook afb. 46 en 47. [N 4A, 52a; monogr.]
II-9
|
| 30145 |
muurvlechting |
gevelrol in verband met strekkenuitvoering:
gēvǝlrǫl en vǝrbant męt štrekǝnūt˲vø̄reŋ (L270p Tegelen)
|
Wigvormig muurdeel waarvan de steenlagen loodrecht op de helling van de muurlijn staan. De lagen van de muurvlechting lopen alle tot een zelfde lintvoeg door. Kleine muurvlechtingen worden uitgevoerd in staand verband, grotere in kruisverband. Zie ook afb. 42. [N 31, 29]
II-9
|