| 18714 |
mouw met kanten plooisel |
kroezeltjesmouw:
kruzelkesmouw (L270p Tegelen)
|
mouw met kanten plooisel [lobmouw] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 29063 |
mouwkop |
mouwkop:
mukop (L270p Tegelen)
|
Het gedeelte van de mouw van het colbert dat in de armsgatuitsnijding wordt ingewerkt. [N 59, 128]
II-7
|
| 29070 |
mouwomslag, manchet |
manchet:
manžɛt (L270p Tegelen)
|
Verlengstuk aan het einde van een mouw; vaak afzonderlijk, en dan al of niet aan de mouw vastgemaakt. [N 62, 34d; N 59, 134; MW]
II-7
|
| 28903 |
mouwplank |
mouwplankje:
muplɛŋskǝ (L270p Tegelen)
|
De mouwplank gebruikt men voor het openpersen van de mouwnaden; zij wordt daartoe in de mouwen gestoken. De informant van L 416 zegt een mouwplank met één poot te gebruiken. Zie ook het lemma ɛpersplankɛ. Zie afb. 16.' [N 59, 19d]
II-7
|
| 18325 |
mouwschort |
mouwenscholk:
moewesjolk (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
schort met mouwen [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 29066 |
mouwsplitje |
mouwsplit:
mušplet (L270p Tegelen)
|
Het splitje onder aan de mouw van het colbert. [N 59, 131a]
II-7
|
| 29069 |
mouwvoering aannaaien |
aanslaan:
aanslaan (L270p Tegelen)
|
De voering van de mouw aan het armsgat hechten. [N 59, 127]
II-7
|
| 24356 |
mug |
knozel:
kno’zel (L270p Tegelen)
|
mug, kleine —
III-4-2
|
| 20598 |
muik |
kuil:
kŏĕl (L270p Tegelen)
|
mui; Hoe noemt U: (Geheime) bergplaats voor onrijp fruit (mui, ponk, bier, moele, loering, gielgoerde) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 26147 |
muilband |
voorband:
vø̄.rbaŋk (L270p Tegelen)
|
Brede, ijzeren band om het uiteinde van de naaf die voorkomt dat er aarde en modder op het aseinde terechtkomt. De muilband heeft soms een rechthoekig uitgekapte opening die afgedekt wordt met een klepje. Door de opening kan men de luns uit de as trekken zodat het wiel van de as kan worden verwijderd, bijvoorbeeld wanneer de as gesmeerd moet worden. Zie ook afb. 214. [N G, 43c; N 17, 60a; JG 1a; JG 1b; Vld.; div.]
II-11
|