| 30011 |
mortelhak |
kalkhak:
kalǝkhak (L270p Tegelen),
spijshak:
[spijs]hak (L270p Tegelen)
|
Hak waarmee de grondstoffen voor de verschillende mortels worden gemengd. Zie ook afb. 21. Zie voor de fonetische documentatie van de woorddelen '(spijs)-' en '(mortel)-' het lemma 'Mortel'. [N 30, 41c; monogr.]
II-9
|
| 30019 |
mortelkuip |
kuip:
ky.p (L270p Tegelen),
spijskuip:
špī.skȳ.p (L270p Tegelen)
|
Bak of kuip waar de metselaar mortel uit neemt tijdens het metselen. Het bestaat gewoonlijk uit een doorgezaagd olie- of teervat. [N 30, 46a; monogr.]
II-9
|
| 30012 |
mortelmaker |
handlanger:
[handlanger] (L270p Tegelen),
spijsmaker:
[spijs)mē̜kǝr (L270p Tegelen)
|
De handlanger die speciaal belast is met het klaarmaken van de mortel. In Q 15 werd de mortel in een klein bedrijf door de handlanger gemaakt. Bij grote bedrijven kende men daarvoor een speciale 'spijsmaker' ('spīsmē̜kǝr'). Het woordtype 'molenbaas' (L 210) wijst op het gebruik van een cementmolen. Zie voor de fonetische documentatie van de tussen '(...)' geplaatste termen de lemmata 'Mortel' en 'Handlanger'. [N 30, 2c; N 30, 40b; monogr.; L B1, 104 add.]
II-9
|
| 30013 |
mortelmolen |
betonmolen:
[betonmolen] (L270p Tegelen),
spijsmolen:
[spijs]mø̄lǝ (L270p Tegelen)
|
Toestel dat wordt gebruikt bij het aanmaken van mortel. De mortelmolen bestaat uit een peer- of cilindervormige mengtrommel die vroeger met handkracht werd rondgedraaid en tegenwoordig met behulp van een elektromotor of een verbrandingsmotor wordt aangedreven. In de trommel zijn schoepen aangebracht die tijdens het ronddraaien de mortel mengen. Zie voor de fonetische documentatie van de woorddelen '(mortel)-', '(spijs)-' etc. het lemma 'Mortel' en van '(betonmolen)' het lemma 'Betonmolen'. [N 30, 44; monogr.]
II-9
|
| 30007 |
mortelplaats |
spijsbed:
[spijs]˱bęt (L270p Tegelen),
spijsplaats:
špī.splāts (L270p Tegelen)
|
De plaats waar de mortel wordt klaargemaakt. In P 176 lag de mortelplaats doorgaans in de buurt van de 'cabine' ('kaben'), de loods waar het materiaal in werd opgeslagen. Zie voor de fonetische documentatie van de woorddelen '(spijs)-' en '(mortel)-' het lemma 'Mortel'. [N 30, 40c; monogr.]
II-9
|
| 30010 |
mortelschop |
kalkschup:
kalǝkšø̜p (L270p Tegelen),
schoep:
šōp (L270p Tegelen)
|
Brede, platte schop die wordt gebruikt voor het aanmaken van mortel. Vgl. afb. 20. Zie voor het woordtype 'troffel' en de samenstellingen met 'troffel' ook het lemma 'Graanschop', 'Schepschop' in wld I.4, pag. 146/147. [N 30, 41b; monogr.]
II-9
|
| 21263 |
motor |
moter:
motər (L270p Tegelen)
|
motor [RND]
III-3-1
|
| 25130 |
motregen, fijne regen |
miezel:
mīēzəl (L270p Tegelen),
moezel:
moezel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
mōēzel (L270p Tegelen),
moezelig:
(n Moezelig waer).
moe⁄zelig (L270p Tegelen),
moezelregen:
moezel-raegen (L270p Tegelen),
motregen:
mot-raegen (L270p Tegelen),
motraenge (L270p Tegelen),
stuifregen:
neen, niet het woord noorderstof; wel het bovenvermelde woord.
sjtunfraenge (L270p Tegelen)
|
klein beetje regen [muggepis, pleisterke regen] [N 81 (1980)] || motregen, fijne regen || motregen, het motregent (regen met heel fijne druppels). [DC 30 (1958)] || motregen, stofregen [moef-, stief-, smook- naajersregen, stobber, mozel, mot, smies] [N 22 (1963)] || noorderstof, in de betekenis van motregen bij overigens droge atmosfeer; betekenis/uitspraak [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25100 |
motregenen, licht regenen |
druppelen:
dröppələ (L270p Tegelen),
miezelen:
miezelen (L270p Tegelen),
’t miezelt (L270p Tegelen),
moezelen:
het begint te moezelen (L270p Tegelen),
moezele (L270p Tegelen),
’t begint te mōēzele (L270p Tegelen),
(ne Moezel-raenge = zachte motregen).
moe⁄zele (L270p Tegelen),
siebelen:
siebelt (L270p Tegelen),
ziebele (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
ziebelt (L270p Tegelen),
zīēbbelen (L270p Tegelen),
’t begint te ziebele (L270p Tegelen),
’t siebelt (L270p Tegelen),
Opm. soms ook wel gewoon: regenen.
zieb⁄bele (L270p Tegelen),
sprinkelen:
sjprinkele (L270p Tegelen),
zeveren:
zeivere (L270p Tegelen),
zouwelen:
Nb. (ow).
zauwele (L270p Tegelen)
|
aanhoudend zacht regenen || beginnen te motregenen [te stieven, stiefregenen, mozelen, smossen, riezelen, ziebelen, zauwelen, netelen, zéémelen] [N 22 (1963)] || lichtjes regenen [sprenkelen, siebelen, zeiveren] [N 22 (1963)] || miezelen, motregenen || motregen, het motregent (regen met heel fijne druppels). [DC 30 (1958)] || motregen, stofregen [moef-, stief-, smook- naajersregen, stobber, mozel, mot, smies] [N 22 (1963)] || zeer weinig regenen, zodat de grond maar net nat is [spruikelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 18264 |
mouw |
hazesprong:
hāzǝšprøŋk (L270p Tegelen),
mouw:
mu (L270p Tegelen)
|
Gezwel, met name een vochtophoping, aan de achterzijde van het spronggewricht. Bij een jong paard kan een overvuld kniegewricht wel eens van voorbijgaande aard zijn, maar meestal is het een ernstige aandoening waarbij geen verbetering optreedt. Zie afbeelding 16. [A 48A, 54e; N 8, 32.10, 32.11, 90g, 90h, 90i en 90j; monogr.] || Mouw van bijv. een colbert of japon. [N 59, 126; N 62, 34a; MW]
I-9, II-7
|