| 33809 |
moorkop |
moorkop:
mōrkǫp (L270p Tegelen)
|
Paard met zwarte kop, manen en staart, terwijl de romp vele witte haren tussen de bruine onderkleur heeft. Het wordt muisvaal of vaalblauw geboren, maar wordt in het eerste levensjaar al zwart. [N 8, 63f]
I-9
|
| 20521 |
moot vis |
moot:
moot (L270p Tegelen)
|
moot; Hoe noemt U: Een snede vis (moot, mook) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19356 |
mopperen |
knoteren:
knoo’tere (L270p Tegelen)
|
vervelend mopperen, zonder gegronde oorzaak of aanleiding
III-1-4
|
| 33538 |
morel, zure kers |
duivelskers:
vrucht van de "weichselboom"; ook wel "duvelskral". De dunne stevige takken waren gezocht om er vliegers van te maken.
du’velskörse (L270p Tegelen)
|
morelkers
I-7
|
| 23224 |
morgengebed |
morgengebed:
morgegebed (L270p Tegelen)
|
Het morgengebed, morgensgebed [merge-gebed, mergensgebed, mörge-gebed, mörreje-jebed?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 29998 |
mortel |
kalk:
kalǝk (L270p Tegelen),
spijs:
špī.s (L270p Tegelen)
|
Een mengsel van gebluste kalk of cement, zand of tras en water. Het wordt gebruikt om bij het metselen de stenen tot een samenhangend, vast geheel te verbinden. De aard en de hoeveelheid van de grondstoffen bepalen het gebruik van de verschillende soorten mortels. Vgl. de volgende lemmata. (zie kaart) [monogr.; div.]
II-9
|
| 30009 |
mortel bereiden |
kalk maken:
kalǝk mākǝ (L270p Tegelen),
spijs maken:
(spijs) mākǝ (L270p Tegelen)
|
De verschillende grondstoffen voor de bereiding van mortel afmeten en dooreenmengen. Zie voor de fonetische documentatie van '(mortel)', '(spijs)', etc. het lemma 'Mortel'. [N 30, 40a; monogr.]
II-9
|
| 30017 |
mortelbak |
kalkbak:
kalǝk˱bak (L270p Tegelen),
spijsbak:
[spijs]˱bak (L270p Tegelen)
|
Van een handvat voorziene houten bak, soms aan de binnenzijde met blik of zink versterkt, waarmee de handlanger de aangemaakte mortel op de schouder naar de metselaar brengt. Aan de onderzijde van de bak kan een houten stok bevestigd zijn. Er bestaan ook geheel uit metaal vervaardigde mortelbakken. Zie ook afb. 22. In Q 198 kende men een uitvoering die van twee armen was voorzien en op beide schouders rustte. Zie voor de woordtypen 'vogel' en 'spijsvogel' ook het lemma 'Modderbak' in wld ii.8, pag. 40. De woorddelen '(mortel)-' ,'(spijs)-' etc. zijn fonetisch gedocumenteerd in het lemma 'Mortel'. [N 30, 45b; monogr.; div.]
II-9
|
| 30008 |
mortelbed |
één bed:
ǝn ˱bęt (L270p Tegelen),
één hoop spijs:
ęjnǝn hǫwp špijs (L270p Tegelen)
|
De hoeveelheid mortel die in één keer wordt klaargemaakt. In Q 198 werd een hoeveelheid mortel bereid die voldoende was om 'vier stootskarren' ('vīr štutskarǝ') te vullen. De woordtypen 'één molen spijs' (Q 20) en 'één molen' (K 359, Q 83) wijzen op het gebruik van een cementmolen bij het maken van de mortel. Zie voor het woordtype 'malooi' (P 176b) ook het lemma 'Malooi' in wld ii.3, pag. 157. [N 30, 42; monogr.]
II-9
|
| 30016 |
morteldrager |
handlanger:
[handlanger] (L270p Tegelen),
spijsdrager:
[spijs]˱drē̜gǝr (L270p Tegelen)
|
De handlanger die speciaal belast is met het vervoeren van de aangemaakte mortel van de mortelplaats naar de metselaar. Vroeger werd daarvoor gebruik gemaakt van de mortelbak, tegenwoordig transporteert men de mortel doorgaans met behulp van een kruiwagen. Zie voor de fonetische documentatie van de tussen '(...)' geplaatste termen de lemmata 'Mortel' en 'Handlanger'. [N 30, 45a; N 30, 2c; monogr.]
II-9
|