| 34572 |
molenwagen |
molenwagen:
mø̜̄lǝwāgǝ (L270p Tegelen)
|
Vierwielige wagen met vaste voor- en zijwanden, waarvan de bak op veren rust. Het voor- en achterstel zijn met elkaar verbonden door middel van twee draagbalken. Het voorste asstel draait gemakkelijk door middel van metalen ringen die op de asbalk liggen. Deze wagen is lichter dan de langwagen, omdat de wielen lichter zijn. [N 17, 43b; N G, 51 + 71a; JG 1d]
I-13
|
| 32856 |
molshoop in het grasland |
moeltwormhoop:
(mv multwø̜rǝmhø̜i̯p)
multwø̜rǝmhǫu̯p (L270p Tegelen),
(mv multwǫrǝmhø̜i̯p)
multwǫrǝmhǫu̯p (L270p Tegelen)
|
Hoopje aarde, opgeworpen door een mol. Op de cultuurgronden en ook in het weiland zijn molshopen hinderlijk voor de boer, en hij zal proberen de mollen te vangen en de molshopen in het veld te verwijderen met de sleep (zie het lemma ''slepen'' in aflevering I.1.2, p. 175-176) of met een ander werktuig (zie het volgende lemma: ''molshopen verspreiden''). De benaming van de molshoop is vaak in het meervoud opgegeven. Daarom zijn bij de onderstaande woorden overal waar in de enquêtes door de informanten ook de meervoudsvormen zijn vermeld, deze hier ook opgenomen. In enkele streken worden de molshoop en de mol door hetzelfde woord benoemd. Daarom is in deze paragraaf ook het lemma ''mol'' opgenomen. De plaatsen waar de woorden voor mol en molshoop hetzelfde zijn, zijn hieronder gekenmerkt door het teken = bij de plaatscode; ze zijn in kaart 3, Mol, genoteerd.' [N 14, 80a; N 14, 81 add.; JG 1a, 1b, 1c; A 18, 12; L 1 a-m; L 1u, 165; L B2, 212; S 24, monogr.]
I-3
|
| 17758 |
mond |
mond:
muŋk (L270p Tegelen)
|
mond [RND]
III-1-1
|
| 34207 |
mond- en klauwzeer |
blaarmuil:
blǭrmul (L270p Tegelen),
mond- en klauwzeer:
mond- en klauwzeer (L270p Tegelen)
|
Bepaalde tongziekte van schapen en geiten; er ontstaan uitwassen aan de tong. [N 19, 68] || Een zeer besmettelijke ziekte, veroorzaakt dor een virus. De eerste verschijnselen zijn stijfheid, vermindering in de melk, hoge koorts, sterke speekselafscheiding. Daarna ontstaan er blaren op het slijmvlies van de mond en de tong, aan de spenen en tussen de klauwen. Ook inwendig kunnen blaren voorkomen. De grootste schade wordt veroorzaakt door allerlei bij- en naziekten zoals verwerpen bij drachtige dieren, zeer ernstige uierontstekingen, langdurige kreupelheden, klauwontstekingen en misvormingen van de klauwen, uitgebreide etteringen en longaandoeningen (Berns 1983, blz. 181). Zie ook het lemma ''mond- en klauwzeer'' in wbd I.3, blz. 484-486. De gegevens van A 48A, 21 zijn verwerkt in de aflevering over het kleinvee (wld I.12) in het lemma ''mond- en klauwzeer'' (1.1.7). [N 3A, 80a; monogr.]
I-11, I-12
|
| 29458 |
mondstuk van de kleimolen |
mondstuk:
mondstuk (L270p Tegelen)
|
De opening onder in de kleimolen waardoor de klei naar buiten wordt gedrukt. [N 49, 16d]
II-8
|
| 23222 |
monnik |
monnik:
monnik (L270p Tegelen)
|
Een monnik [munnik]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23440 |
monstrans |
monstrans (lat.):
monstrans (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
De heilige vaten, het liturgisch vaatwerk [kelken, cibories, monstrans]. [N 96A (1989)] || Een monstrans, een gouden of zilveren, meestal zonvormig vaatwerk waarin de H. Hostie ter aanbidding wordt uitgesteld. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33922 |
mooi pratend het paard op de nek kloppen |
bekallen:
bǝkalǝ (L270p Tegelen)
|
[N 8, 103e]
I-9
|
| 25169 |
mooi, helder weer |
schoon weer:
sjoewən waer (L270p Tegelen)
|
mooi weer zijn, gezegd van het weer [weren] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 23499 |
moordkruis |
kruis:
kruuts (L270p Tegelen)
|
Een veldkruis opgericht op de plaats waar iemand vermoord werd [mòòrd-kruus, zoenkruis?] . [N 96A (1989)]
III-3-3
|