| 17944 |
moeilijk vooruitkomen |
drentelen:
drentele (L270p Tegelen),
niet vooruitkomen:
neet vuroet komme (L270p Tegelen),
schravelen:
dae sjravelde euver de waeg (L270p Tegelen),
schravele (L270p Tegelen),
slecht vooruitkomen:
sjlech vuroet komme (L270p Tegelen),
stachelen:
stachele (L270p Tegelen),
stolpern (du.):
sjtolpere (L270p Tegelen),
straffelen:
stravele (L270p Tegelen)
|
lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)] || lopen: moeilijk vooruit komen [stachele] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 19100 |
moeite |
moeite:
meujtə (L270p Tegelen),
meu’te (L270p Tegelen),
mootte (L270p Tegelen)
|
moeite, last || moeite; hij geeft zich moeite [DC 03 (1934)]
III-1-4
|
| 19940 |
moer |
moer:
moor (L270p Tegelen),
mōr (L270p Tegelen)
|
konijn, vrouwtje [DC 04 (1936)] || konijn, vrouwtje, moerkonijn
III-2-1
|
| 33700 |
moeras |
moeras:
muras (L270p Tegelen),
zomp:
zomp (L270p Tegelen)
|
Waterachtig, laaggelegen, drassig land, broekland, gebied zonder behoorlijke afwatering. [N 27, 20; N 14, 53; N 6, 33b; R 3, 9; A 2, 57; RND 20; Wi 17; Wi 54; L 19B, 2aI; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33556 |
moestuinx |
hof:
hōͅ.f (L270p Tegelen),
hōͅf (L270p Tegelen),
hoͅf (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
moeshof:
mōshōͅ.f (L270p Tegelen)
|
[DC 03 (1934)] [DC 40 (1965)] [N 05A (1964)] [N P (1966)]
I-7
|
| 19078 |
moeten |
moeten:
môtte (L270p Tegelen)
|
moeten (geen context) [DC 37 (1964)]
III-1-4
|
| 20596 |
moezen |
tot moes koken:
tōēt mōōs (L270p Tegelen)
|
moes worden; Hoe noemt U: Tot moes koken (moezen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 18269 |
mof |
mof:
mof (L270p Tegelen),
stuik:
Vero. [´ : sleeptoon] vgl. Van Dale (DN): Stauche, (pols)mof
sjtóek (L270p Tegelen),
vgl. Van Dale (DN): Stauche, (pols)mof
sjtoek (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen)
|
handmof; met bont beklede gewatteerde koker, vroeger veel door dames gedragen als bescherming van de handen tegen de koude || mof, koker van bont waarin met beide handen steekt [mof, moef, sjtoek] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 19126 |
mogen |
mogen:
meu’ge (L270p Tegelen)
|
mogen
III-1-4
|
| 33902 |
mok |
mok:
muk (L270p Tegelen)
|
Eczeem of huidontsteking in de kootholte van het paard. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen natte en droge mok. De ontsteking ontstaat veelal door inwerking van vocht, het langdurig lopen op modderwegen en het staan op vuil en nat strooisel. Eerst ontstaan huidzwellingen, later zweertjes waaruit vocht komt dat tot korsten opdroogt of etterachtig wordt. De ziekte kan van langdurige aard zijn en tot kreupelheid leiden. [A 48A, 15; N 8, 90d, 90e en 90k; N 52, 32a; monogr.]
I-9
|