| 24544 |
mispel |
mispel:
homofoon van "wesp
mis’pel (L270p Tegelen)
|
mispel
III-4-3
|
| 23532 |
missaal |
missaal:
missaal (L270p Tegelen)
|
Een kerkboek waarin de misgebeden zijn opgenomen [misboek, mèsbook, mèssebook, missaal?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23074 |
missen in het beugelspel |
flatsen:
flatse (L270p Tegelen)
|
2. Het doel (de ring) missen bij t beugelspel.
III-3-2
|
| 23685 |
missie |
missie (<fr.):
missie (L270p Tegelen)
|
Een meerdaagse reeks preken, gebedsoefeningen e.d. die eens in de 10 jaar in de parochie werd gehouden ter heropwekking en verdieping van het geloof en ter bekering van zondaars [missie, volksmissie?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23394 |
missiekruis |
missiekruis:
missie kruuts (L270p Tegelen)
|
Een groot kruisbeeld ter herinnering aan een in de parochie gepreekte missie [missiekruis?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 25166 |
mist, nevel (alg.) |
grijs:
grīēs (L270p Tegelen),
¯laaghangende mist¯
gries (L270p Tegelen),
mist:
mis (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
mist (L270p Tegelen),
nevel:
nevel (L270p Tegelen),
(zonder onderscheid)
nevel (L270p Tegelen)
|
mist [domp, mok, moek] [N 22 (1963)] || mist en nevel [DC 27 (1955)]
III-4-4
|
| 23678 |
misweek |
misweek:
misweek (L270p Tegelen)
|
Een misweek. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23553 |
miswijn |
miswijn:
miswien (L270p Tegelen)
|
De miswijn [mèswien?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24929 |
modder, slijk |
modder:
moddər (L270p Tegelen)
|
modder, mengsel van aarde, vuil, allerlei organische stoffen met water [plamei, debber, pladedder, moor, dedder, plamoes, moes, kwet, drabbik, dwal] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 29661 |
modderbak |
vogel:
vōgǝl (L270p Tegelen)
|
De bak of kar waarmee de bereide klei naar de vormtafel wordt vervoerd. Over de term vogel merkt Coopman (pag. 81) op: ø̄̄vogel:, m., in Limburg de bak waarmede de werklieden het leem tot bij de vorm of werkbank brengen. Hij heeft denzelfden vorm als de mortelbak welken de metsersknapen gebruiken. De Waalse steenbakkers uit Luik noemen dat houten tuig lɛoiseau: Het heeft inderdaad de gedaante van eenen vogel.ø̄̄' [N 98, 71; monogr.]
II-8
|