| 30089 |
metselstenen bevochtigen |
nat maken:
nāt mākǝ (L270p Tegelen)
|
Metselstenen nat spuiten. Om een goede aanhechting tussen mortel en steen te verkrijgen, worden metselstenen doorgaans een avond vóór het verwerken bevochtigd. Dit voorkomt dat de droge steen tijdens het metselen te veel water uit de mortel opneemt. [N 31, 13a]
II-9
|
| 29996 |
metselzand |
bergzand:
bɛrǝx˲zaŋk (L270p Tegelen),
kiezelzand:
ketsǝlzaŋk (L270p Tegelen),
maaszand:
mās˲zaŋk (L270p Tegelen),
metselzand:
mɛtsǝlzaŋk (L270p Tegelen),
papzand:
pap˲zaŋk (L270p Tegelen),
scherpe zand:
šɛrǝpǝ zaŋk (L270p Tegelen),
schuurzand:
šūrzaŋk (L270p Tegelen),
voegzand:
vōx˲zaŋk (L270p Tegelen),
zilverzand:
zelǝvǝrzaŋk (L270p Tegelen)
|
Het zand dat bij de bereiding van mortel aan het bindmiddel, bijvoorbeeld kalk of cement, wordt toegevoegd. Doorgaans wordt gebruik gemaakt van rivierzand omdat dit scherp, schoon en ongelijk van korrelgrootte is. In Q 4 werd het zand doorgaans genoemd naar de plaats van herkomst. Ook de woordtypen 'brunssummmer zand' (Q 203), 'helchterse zand' (P 51), 'helchterse' (K 359) en 'lommelzand' (K 353, K 359, P 56) verwijzen naar plaatsen waar zand wordt of werd afgegraven. Zie voor het woordtype 'chape-zand' (L 364) het lemma 'Vloermortel'. [N 30, 36a; N 30, 36b; N 27, 47; L 42, 57; monogr.]
II-9
|
| 20513 |
metworst |
droogworst:
drŭŭəgwòrs (L270p Tegelen),
metworst:
klein bloedworst
metwors (L270p Tegelen)
|
metworst [N 06 (1960)] || metworst; Hoe noemt U: Worst met gehakt (varkens)vlees (metworst, snijworst, saucisse) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 24901 |
middag (s middags) |
middag:
midáág (L270p Tegelen)
|
middag [RND]
III-4-4
|
| 20573 |
middagmaal |
eten:
ètĕ (L270p Tegelen),
middag, de -:
middig (L270p Tegelen),
middageten:
middaagèten (L270p Tegelen)
|
maaltijden; Hoe noemt U: Namen voor de verschillende maaltijden, afhankelijk van de tijd van de dag, eventueel van het jaar [N 80 (1980)] || namen en uren van de dagelijkse maaltijden: 12 uur [ZND 18G (1935)]
III-2-3
|
| 33785 |
middendeel van het paard |
middelhand:
medǝlhaŋk (L270p Tegelen),
middenstuk:
medǝštø̜k (L270p Tegelen)
|
De middel- of middenhand van het paard, in tegenstelling met ''voorste deel van het paard tot achter de voorbenen'' (3.1.3) en ''achterhand van het paard'' (3.3.14). [JG 1a, 1b; N 8, 12]
I-9
|
| 31586 |
middennaafbanden |
naafbanden:
nǭf˱bɛŋ (L270p Tegelen),
speekbanden:
špęjk˱bɛŋ (L270p Tegelen)
|
De ijzeren banden om het brede gedeelte van de naaf, aan weerszijden van de spaken. Zie ook afb. 214 en de lemmata ɛmuilbandɛ en ɛachternaafbandɛ.' [N G, 43e; N 17, 60; JG 1a; JG 1b; L 39, 22 add.; monogr.; div.]
II-11
|
| 23358 |
middenpad |
middenpad:
middepaad (L270p Tegelen),
geslacht is mannelijk !!
middepaad (L270p Tegelen)
|
De hoofdgang, de middengang van de kerk [middenpad?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23353 |
middenschip |
middelschip:
middelsjeep (L270p Tegelen),
middenpad:
in de middepaad (L270p Tegelen),
schip:
sjeep (L270p Tegelen)
|
De hoofdruimte, de grote middelruimte van een kerkgebouw [schip, langschip, middenschip, middelsjeep?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 22877 |
midvoor |
middenvoor:
middeveur (L270p Tegelen)
|
Midvoor. [DC 49 (1974)]
III-3-2
|