| 25531 |
met zwakke werking |
slap:
šlap (L270p Tegelen),
zwak:
žwāk (L270p Tegelen)
|
Kwaliteitsaanduiding, gezegd van bloem die nat is of geen weerstand heeft. Deze bloem is in het algemeen van inlandse komaf en daardoor zou men zeggen van slechtere kwaliteit [N 29, 16]
II-1
|
| 31434 |
metaalbeugelzaag |
ijzerzaag:
īzǝrzāx (L270p Tegelen)
|
Handzaag voor metaal waarbij het blad in een ijzeren beugel is gespannen. Zie ook afb. 136. [N 33, 250; N 33, 330; N 53, 10; N 64, 2a-b; monogr.]
II-11
|
| 33047 |
metalen deel van de mathaak |
pik:
pek (L270p Tegelen)
|
De licht gebogen ijzeren tand van de mathaak. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). [N 18, 72b; monogr.; add. uit JG 1b]
I-4
|
| 34369 |
metalen scheplepel |
schepel:
šiǝpǝl (L270p Tegelen),
voerschepper:
vōršø̜pǝr (L270p Tegelen),
voerschotel:
vōršotǝl (L270p Tegelen)
|
Lepel van metaal om varkensvoer mee op te scheppen. [N 18, 132; monogr.]
I-12
|
| 32892 |
metalen tongetjes |
bramen:
brǭm (L270p Tegelen),
memmen:
(dim)
męmkǝs (L270p Tegelen)
|
De onregelmatigheden aan de snijkant van de zeis, uitstulpingen in de vorm van metalen tongetjes of lipjes, die kunnen ontstaan bij ondeskundig haren. Het lemma bevat meervouden en enkelvouden. [N 18, 90; monogr.]
I-3
|
| 18379 |
metalen uiteinde van een schoenveter |
pin:
pin (L270p Tegelen),
meervoud: pin
pìn (L270p Tegelen)
|
metalen uiteinde van een schoenveter [malie] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 29920 |
metselaar |
metselaar:
mętsǝlēr (L270p Tegelen)
|
Ambachtsman die metselwerk verricht. Zie ook de toelichting bij de lemmata 'metselen' en 'handlanger'. [Wi 2; S 23; L 1a-m; L 17, 30; L B1, 103; RND 46; N 30, 1a; N 95, 159; monogr.; Vld]
II-9
|
| 29933 |
metselaarsbroek |
bombazijnsterse boks:
bomǝzǝstǝrsǝ boks (L270p Tegelen)
|
Werkbroek, doorgaans vervaardigd van stevige stof. [N 30, 5a]
II-9
|
| 29921 |
metselen |
metselen:
mętsǝlǝ (L270p Tegelen),
mɛtsǝlǝ (L270p Tegelen)
|
Bij de bouw van stenen huizen met behulp van mortel de afzonderlijke stenen tot een samenhangend, vast geheel verbinden. [Wi 57; S 23; L 1a-m; L 31, 21; N 30, 1b; monogr.]
II-9
|
| 29942 |
metselkoord |
metseldraad:
mɛtsǝldrǭt (L270p Tegelen),
metselkoord:
mɛtsǝlkōrt (L270p Tegelen)
|
Het koord dat men spant om daarlangs te metselen. Aan beide uiteinden kunnen twee priemen bevestigd zijn waarmee het koord in de voegen van het metselwerk wordt vastgezet. Zie ook het lemma 'priemen'. Het woordtype snoergerust (Q 121) was een benaming voor het metselkoord met toebehoren. Zie ook afb. 4. [N 30, 14a; monogr.]
II-9
|